Prison break
Eindelijk vrij
Ze leeft al in gevangenschap, zolang ze het zich kan herinneren. Weggehaald bij haar eigen moeder, zodra ze op eigen benen kon staan. Afgevoerd en opgesloten. Vastgeketend in een hok met tientallen lotgenoten, in de penetrante zure lucht, waar de hordes vliegen zich tegoed doen aan de uitwerpselen. Het eten is eentonig en smakeloos, maar lijkt schoon. Met het water weet je het nooit.
Mannen met stokken en een arsenaal aan andere martelwerktuigen maken de dienst uit. God weet wat ze in al die jaren allemaal in haar hebben gestopt. De pijn, iedere keer weer. Hoe vaak is ze al niet zwanger geweest? En altijd wordt haar pasgeboren kind bij haar weggehaald, de moedermelk nog niet eens ontgroeid.
Haar oudere lotgenoten worden niet meer zwanger. Een voor een worden ze meegenomen, om nooit meer terug te komen. Ze hebben een berustende blik in hun ogen. Als ze worden weggevoerd, hebben sommigen zelfs iets van blijdschap. Blij, dat dit godvergeten leven tot een eind komt. Hierna kan het alleen maar beter worden. Het zal beter worden. Het moet. Eindelijk de beloning na de ontberingen van hun mistroostige aardse bestaan. Toch?
Na lange, lange jaren laten de mannen met de marteltuigen haar eindelijk met rust. Haar tijd zal nu snel komen, weet ze. Gelaten hoort ze het gekerm van haar zusters aan, die nog steeds door de mannen worden misbruikt. Bedroefd is ze, als ze het klagelijke wenen hoort, wanneer hun kinderen bruut bij hen worden weggehaald.
Op een gure ochtend is het eindelijk haar beurt. De mannen met de stokken ontdoen haar van haar ketens en voeren haar haar buiten, de kille koude in. Een vrachtwagen staat klaar, de felle achterlichten in schril contrast met achtergrond van de kale bomen in de grijze mist, de achterklep open. Een van de mannen dreigt vervaarlijk met zijn marteltuig. Ze heeft in haar miserabele leven genoeg elektrische schokken gehad en strompelt, na een diepe teug van de frisse buitenlucht, op haar kapotte, zwerende voeten door de miezerige motregen de laadruimte binnen.
Het ruikt muf in de laadbak, maar ze is erger gewend. Twee mannen ketenen haar vast en vergrendelen de deur. Dan zet de wagen zich in beweging.
De weeë geur in het gebouw kan ze niet thuisbrengen. Maar alles is beter dan de geur van pis en uitwerpselen waarin ze haar dagen heeft gesleten. De mannen dragen hier witte jassen, lijken zo anders dan de mannen met de stokken. Alles gaat toch nog goedkomen, mijmert ze. Terwijl een van de mannen een zachte zalf op haar nek smeert en vervolgens een weldadig koele metalen plaat op haar nek legt, voelt ze zich haast euforisch.
Als ze haar blik opricht om een glimp van de buitenlucht op te vangen door een van de hooggeplaatste ramen, maakt haar euforie plaats voor pure ontzetting. Met de moed der wanhoop probeert zich los te rukken, de metalen plaat van haar nek te schudden, haar blik gefixeerd op het horrortafereel van de rij karkassen, opgehangen aan hun achterpoten, ontdaan van hun zwart-wit-gevlekte huid. De voorpoten en de koppen van haar zusters hangen mismoedig naar beneden.
Nog één keer schiet er een felle scheut van pijn door haar heen. Dan niets meer.