Schelden doet geen zeer

1

Op het schoolplein mag ik bij een groepje van zes meisjes staan. Als ik iets zeg, lachen ze hard. Ik zeg maar liever niets. Ze vragen me nooit mee, om na schooltijd bij hen thuis te spelen, of om naar het zwembad te gaan. Of om op verjaardagsfeestjes te komen. Maar dat vind ik niet erg. Ik kan slecht tegen drukte. Ik ben altijd blij als de pauze voorbij is en de schooldeur weer opengaat. Rekenen en taal vind ik leuk. Lezen ook, maar de les gaat zo langzaam. De meester is vaak kwaad op me. Als ik een stukje moet lezen, weet ik nooit waar we zijn. Met rekenen heb ik meestal een tien. Het lijkt wel of de meester dat niet leuk vindt. Daarom maak ik soms maar wat foutjes.

Bij aardrijkskunde en geschiedenis fantaseer ik erop los. Hoogezand, Sappemeer, Veendam, Winschoten. In gedachten trek ik op de fiets het land door, tot het Drielandenpunt. De weg vragen hoeft niet. Ik ken de kaart uit mijn hoofd. Germanen, Noormannen, keizer Karel, Napoleon, Jan van Schaffelaar, Willem van Oranje. Ik beleef het, alsof ik mijn eigen reizen door de tijd maak. Als Kenau Simonsdochter Hasselaer verdedig ik Haarlem tegen de Spanjaarden. Het is weer veel te snel pauze.

Jongens trekken aan de haren van de meisjes. Aan mijn haar het meest. Zouden ze dat vroeger ook bij Kenau Hasselaer hebben gedaan? Natuurlijk niet. “Hé truttekop!” hoor ik vlak achter me. Tegelijkertijd een ruk aan mijn paardenstaart. Ik draai me om en raak Johan op zijn neus. Een vreemd krakend geluid en overal bloed. Er wordt niet meer gespeeld op het schoolplein. Het is doodstil. Alle kinderen kijken naar mij. Dan komt de meester naar buiten en trekt me aan mijn schouder mee naar binnen. “Hij trok aan mijn haar,” zeg ik nog. “En hij schold me uit.”

“Schelden doet geen zeer,” is alles wat de meester zegt. Ik moet in het kleine kamertje gaan zitten. Als de school weer begint, zit ik er nog steeds. De twee schilderijen in het kamertje hangen scheef. Ik heb ze net recht gehangen, als ik in het aangrenzende kamertje de stem van mijn moeder hoor. En die van de meester. Even later moet ik ook binnenkomen. “Johan is naar het ziekenhuis,” zegt de meester. Ik kijk naar mijn moeder. Ze is kwaad, maar niet op mij. “Kom maar,” zegt ze, terwijl ze opstaat. “We gaan naar huis.”

Thuis krijg ik een beker warme chocolademelk met een plak koek. Mama streelt me over mijn haar. Ik hoor haar snikken, maar ze wil niet zeggen waarom. De volgende dag mag ik thuisblijven.

 

’s Maandags ga ik weer naar school. Johans neus zit in het verband. Mijn rekenen heb ik snel af. Ik begin maar aan het strafwerk dat ik nog moet inleveren. ‘Ik mag niet vechten op school.’ Tweehonderd maal. ‘En Johan moet van mijn haar afblijven,’ voeg ik er baldadig aan toe.

In de pauze trekt niemand me meer aan mijn haar. Ik mag niet meer bij het groepje staan. Erg vind ik het niet. Ik ben liever alleen. Net zoals ik liever alleen naar huis loop. Dan kan ik netjes op de tegels lopen, zonder de naden te raken. En op het zebrapad, waar ik alleen maar op het wit mag lopen.

Bij het flatgebouw aangekomen loop ik door het trappenhuis naar boven. Vier trappen van twaalf treden. Linkerbeen eerst, en niet vergeten te tellen. Anders moet het weer opnieuw. De galerij heeft een ruitjesmotief van zwarte en grijze tegels. Ik moet netjes op het zwart lopen, 34 zwarte tegels tot de voordeur.

Mama vraagt, hoe het op school was. “Noord-Brabant geleerd,” antwoord ik. “Breda, Tilburg, ’s-Hertogenbosch. Maar je mag ook ‘Den Bosch’ zeggen.” Mijn moeder aait me over mijn haar en zet een beker warme chocolademelk op tafel. Met een plak koek ernaast. “Wil je niet even buitenspelen?” vraagt Mama. “Het is lekker weer.” Ik besluit om Mama een plezier te doen. Op het veldje achter het flatgebouw zijn jongens aan het voetballen. Ik mag altijd meedoen als keeper. Daar ben ik best goed in. Moet ook wel, want de struiken achter het doel zitten vol met stekels. Mama geeft me altijd snoep mee om te delen met de jongens.

Na een uurtje wil ik naar huis. Mijn boek moet morgen terug naar de bibliotheek en ik heb het nog niet uit. En ik moet mijn poppen nog omkleden.

Mama heeft mijn kamertje opgeruimd. Ze heeft goed haar best gedaan om mijn poppen netjes op een rij te zetten, maar toch staat er eentje scheef. En een van de jurkjes zit niet recht. Het geeft niet. Mama heeft het druk. En de poppen moeten vandaag toch omgekleed worden.

Ik help Mama met het dekken van de tafel. Mama vindt het moeilijk om het bestek recht te leggen naast de borden, dus dat mag ik altijd doen. De vorken en de messen precies naast de borden. Niet eronder. De lepels naast de messen, zodat ze elkaar net niet raken. Ook het volschenken van de glazen met water. Eén pink onder de rand. Als Papa thuiskomt, eten we. Papa vraagt nooit meer, hoe het op school was. Ik vertel hem, dat Bergen op Zoom niet in de bergen ligt, maar het interesseert hem niet zo.

’s Avonds in bed lees ik mijn bibliotheekboek uit. Beneden hoor ik Papa en Mama hard praten, zoals ze de laatste tijd wel vaker doen. “Alleen maar problemen, al bijna tien jaar lang!” hoor ik Papa schreeuwen. Mama huilt.

2

Er is een mevrouw op bezoek. Mama en de mevrouw drinken thee. Ik warme chocomel. De mevrouw zet haar bril op haar puntige neus en heeft een groot papier op haar schoot. De meeste vragen die ze aan Mama stelt, snap ik niet. Ze vraagt waar Papa is. Die is al een paar dagen niet thuis geweest. Dan vraagt de mevrouw aan Mama of ze even met mij alleen mag praten. Mama staat op, aait me even door mijn haar en loopt naar de keuken.

“Hebben Mama en Papa vaak ruzie?”, vraagt de mevrouw. Ze doet heel vriendelijk, maar ik weet niet of ze echt aardig is.

“Een beetje,” antwoord ik zachtjes. “Vorige week nog, toen de meester op school kwaad was.”

“Was dat, omdat je een jongen hard had geslagen?”

“Ik sloeg niet hard, maar ik raakte zijn neus.”

“Waarom sloeg je hem?”

“Hij trok aan mijn haar. En hij schold me uit.”

“Schelden doet geen zeer.”

“Dat zei de meester ook. En Papa ook.”

“Die jongen moest naar het ziekenhuis.”

“Ze pesten me niet meer, op school.”

“Heb je vriendjes en vriendinnetjes op school?”

“Nee.”

“Vind je dat niet erg?”

Ik schud mijn hoofd.

“Heb je er spijt van, dat je die jongen hebt geslagen?” vraagt de mevrouw na een minuutje stilte.

Weer schud ik mijn hoofd.

3

Mama helpt me met het inpakken van mijn tas. Ze heeft me beloofd om één keer per week mijn poppen te verkleden en ze netjes naast elkaar te zetten. “Knettergek, waarom moet mij dit nou overkomen?” hoor ik mijn vader mompelen vanachter de krant. Er staat een hoop slecht nieuws in de krant. Elke dag.

Dan gaat de bel. De mevrouw met de puntige neus komt binnen. Mama geeft haar mijn tas. Dan geeft ze me een knuffel. Haar wangen zijn nat. Ik huil niet. Ik wil niet dat Mama verdrietig is.

 

In het huis wonen negenenveertig meisjes.

We eten aan lange tafels. Aan iedere tafel tien meisjes en een zuster. Aan één tafel is een plaats vrij. Om de beurt moeten we hardop bidden voor het eten. Vandaag is het mijn beurt. Ik bid dat mijn tante Ella's kindje gezond geboren zal worden en dat tante Ella maar snel een lieve man zal vinden. Ik krijg een draai om mijn oren en moet zonder eten naar de koude slaapzaal waar we met zijn allen slapen.

Als later die avond de anderen ook in bed liggen, beginnen een paar meisjes te zingen. Ella krijgt een hoerenjong. Ik weet niet, waar ze het over hebben. Ik heb honger en heb het koud en val eindelijk in slaap.

 

Een paar weken later komt Mama op bezoek. We zitten in een leeg klaslokaal. Een van de zusters zit achterin in de hoek. Ze is dik en heeft een knot in haar haar.

"Wat is een hoerenjong?" vraag ik. Ik zie dat Mama schrikt.

"Wie zegt dat?"

"De meisjes zeggen dat tante Ella een hoerenjong krijgt."

Ik zie dat Mama's ogen nat worden, maar ik wil haar niet verdrietig maken. "Geeft niks, Mama, ze zijn allemaal gek. Het is hier een gekkenhuis, he Mama?"

Mama snuit heel hard haar neus en drukt me tegen zich aan. Ik ruik de zeep van thuis. Dan zegt de dikke zuster met de knot in haar haar, dat het tijd is om te gaan. Nog een keer snuif ik de geur van de zeep van thuis op en voel ik een zoute druppel op mijn gezicht. Dan neemt de dikke zuster met de knot me mee.

 

Aan het eind van de volgende ochtend lopen we van het klaslokaal naar de eetzaal. "Ella krijgt een hoerenjong," fluistert Simone, terwijl ze me voorbijloopt richting trap. Simone is het grootst van allemaal. Alle meisjes doen wat ze zegt. Zij is begonnen met zingen over tante Ella. Ze maakt Mama verdrietig. Ze moet ophouden.

Ik zie haar bovenaan de trap staan. Vanachter ren ik naar haar toe en geef haar een duw. Het gaat heel gemakkelijk. Ze valt voorover. Haar hoofd slaat hard tegen een traptrede. Het lijkt wel een zware steen. Ze blijft stil liggen. Ze huilt niet eens. Wel is er veel bloed.

Een paar meisjes beginnen hard te gillen. Twee zusters komen aanlopen. Eén begint heel gek te schreeuwen. Dan komt de dikke zuster met de knot aanlopen. Het doet pijn, als ze mijn arm omdraait en me in de richting van de strafkamer duwt.

“Heb je Simone van de trap afgeduwd?” vraagt de hoofdzuster. Haar linkeroog trekt een beetje dicht, als ze boos is. Naast haar dikke neus zit een bruine pukkel.

“Ja, zuster,” antwoord ik. Ik moet steeds naar de pukkel kijken.

“Zuster overste, moet je zeggen! En kijk me aan, als ik tegen je praat!”

“Ja, zuster overste,” antwoord ik, maar mijn ogen worden naar de pukkel getrokken.

“Kijk me aan!”

Haar ogen zijn nog lelijker dan de pukkel, maar het lukt me om mijn blik vast te houden en niet meer los te laten.

“Waarom heb je Simone van de trap afgeduwd?”

“Ze maakt mijn moeder aan het huilen.” Ik boor mijn ogen nu in de hare.

“Maar je moeder is hier toch niet?”

“Gisteren wel. En toen moest ze huilen. Dat wil ik niet. Niemand mag mijn moeder verdrietig maken.” Mijn ogen zitten nu vastgepind in de hare. Ik heb al een minuut niet geknipperd.

“Knettergek.” Ze praat nu tegen de dikke zuster met de knot, die in de hoek staat. “Opsluiten!”

De dikke zuster met de knot grijpt me hard bij mijn arm. Ik blijf zuster overste aankijken, totdat ik de gang op word geduwd. Ik heb nog niet geknipperd.

4

Ik heb nu een eigen kamer. De schone witte kleren zijn mooier dan de grijsblauwe uniformen. Ook mag ik alleen op mijn kamer eten. Elke dag mag ik even in de tuin wandelen met de dikke mevrouw met de knot. Als ik op het bankje zit, maakt ze mijn voeten vast en mogen mijn handen even los. Als ik weer in mijn kamer ben, komt de dokter. De pilletjes bewaar ik onder mijn tong. Als de dokter weer weg is, spuug ik ze uit. De pilletjes maken me slaperig.

De schooljuffrouw heeft boeken gebracht. Rekenen, taal, aardrijkskunde en geschiedenis. Als ik de pilletjes uitspuug, kan ik goed leren. De rekenoefeningen heb ik al bijna allemaal af. In het taalboek staat niets nieuws meer. Uit het geschiedenisboek zijn een aantal hoofdstukken gescheurd. Vanuit de inhoudsopgave leer ik dat de hoofdstukken over hagenpreken, heksenverbrandingen, de beeldenstorm en de politionele acties zijn weggescheurd. Aardrijkskunde doe ik ’s avonds na het eten. Soms neem ik een van de bewaarde pilletjes. Ik word dan lekker duizelig en droom hoe ik over de wereld reis. In Frankrijk schilder ik. In Italië ben ik een zingende gondelier. In Israël pluk ik sinaasappels. In Nepal kan ik vanaf de hoogste berg de hele wereld zien.

Om de paar dagen komt de dokter langs. Hij wil me beter maken, zegt hij, maar ik voel me niet ziek. Meestal praat hij met me. Of ik spijt heb, dat ik Simone geduwd heb. Of ik niet graag terug wil, leren en spelen met de andere meisjes. Of ik mijn moeder niet mis.

Nee, ik heb geen spijt, dat ik Simone geduwd heb. En ik wil niet terug naar de andere meisjes. Ik heb nu lekker een kamertje alleen. En mooie witte kleren. En zoveel tijd als ik wil, om te leren. Ja, ik mis Mama heel erg.

De dokter zegt dat ik dan maar beter spijt kan hebben dat ik Simone van de trap heb geduwd. Dan mag ik misschien terug naar de grote slaapzaal, en dan alleen kan Mama me weer bezoeken.

De dokter wil me niet beter maken. Hij wil me alleen maar mijn kamertje afnemen. Soms heb ik zin om hem net zo’n stomp op zijn neus te geven als Johan op het schoolplein, maar dan zie ik Mama misschien nooit meer. Vlak voordat de dokter komt, neem ik altijd een half pilletje. Dan ben ik lekker rustig.

5

Eén keer per jaar moet ik met zuster overste, de dokter en de dikke zuster met de knot naar de rechter. De eerste keer vond ik het eng. Vandaag is het de zesde keer. Het kan me niets meer schelen.

De rechter is altijd iemand anders. Deze keer ziet hij er aardig uit. Hij stelt vragen aan zuster overste en aan de dokter. Of ik nog steeds in isolatie zit. Of er vooruitgang is. “Te weinig,” zegt de dokter. “Ze werkt niet mee,” hoor ik hem zeggen. “En een totaal gebrek aan normaal sociaal gedrag,” gaat hij verder. “Een psychopate.”

Ik heb geleerd dat het maar beter is om pas te praten, als me dat gevraagd wordt. Als beloning mocht Mama me drie weken geleden bezoeken. Mama’s haren zijn grijs geworden. En ze heeft veel rimpels in haar gezicht. Nadat ze weer wegging, heb ik met niemand meer gepraat.

De rechter zegt dat zuster overste, de dokter en de dikke zuster de kamer uit moeten. Hij wil met mij alleen praten. “Ze is gevaarlijk,” zegt de dokter nog, maar de rechter heft zijn hand en de dokter zegt niets meer. Dan zit ik alleen tegenover de rechter.

“Hoe gaat het met je?” vraagt de rechter. Hij heeft een rond gezicht met grijs haar en vriendelijke blauwe ogen, maar het valt me moeilijk om hem aan te kijken.

“Ze zeggen dat ik gek ben,” antwoord ik, nadat ik eindelijk de moed heb om op zijn ogen te focussen.

“En? Ben je dat?” Ik kijk hem niet-begrijpend aan.

“Is het waar, dat je gek bent?” gaat de rechter verder.

“Ze zeggen het, meneer. Ik bedoel… ik… pardon… ik moet ‘edelachtbare’ zeggen, toch?”

“Je mag zeggen wat je wilt. Als je liever ‘meneer’ zegt, dan is dat goed.”

“Ik ben bij Mama weggehaald. Dat is al zes jaar geleden. Mama mag me bijna nooit bezoeken. Ik zit alleen op een kamer. Dat vind ik niet erg. En ik heb op school een jongen zijn neus kapotgeslagen. En in het huis een meisje geduwd. Ja… ik ben echt gek.”

Aan de muur hangt een klok. Ik hoor de klok 27 keer tikken, voordat de rechter weer wat zegt.

“De jongen moest naar het ziekenhuis. Het meisje viel van de trap af. Ze is dood.”

Ik hoor de klok tikken. 35, 36, 37. Tante Ella’s kind is ook dood. Nooit geboren, zei Mama een paar jaar geleden. Tante Ella viel van de trap af. En toen was haar kind dood. Vanuit mijn linkerooghoek voel ik een traan over mijn wang tot mijn kin druppelen. Dan valt hij op mijn hand.

“Dat met Johan, dat was een ongeluk,” antwoord ik zacht, fluisterend bijna. “Niet dat ik hem sloeg, wel dat hij naar het ziekenhuis moest.”

59, 60, 61.

“En met het meisje?”

“Als zij begon, deed iedereen mee.” Ik fluister niet meer. Er rollen nu meer tranen over mijn wangen, maar ik hoef niet te snikken. “En de zusters kon het niets schelen,” ga ik verder. “Het leek net, of ze het wel goedvonden.” Ik veeg mijn ogen en mijn wangen droog met mijn mouwen en besluit dat ik ophoud met huilen. De rechter is een aardige man. Ik neem een diepe zucht en focus op zijn blauwe ogen. Ik mag niet meer loslaten.

“Schelden doet ook zeer.”

De klok tikt door, maar ik ben de tel kwijtgeraakt.

“Als je eens een paar uurtjes met de zuster naar buiten zou mogen, waar zou je dan heen willen?”

Even weet ik niets te zeggen. Ik ben al 2.231 dagen niet buiten de poort geweest, afgezien van het jaarlijkse bezoek aan de rechter, achterin een busje zonder ramen.

“Naar huis,” antwoord ik na 17 tikken. Naar Mama. En mijn poppen omkleden. Het liefst als Papa niet thuis is. En naar de bibliotheek. Mijn boek terugbrengen en nieuwe lenen. Of misschien kan ik maar beter naar de boekenwinkel gaan om boeken te kopen. Want ik kan natuurlijk niet op tijd terug naar de bibliotheek. Dan ben ik weer te laat met terugbrengen. Ik heb 32 euro 75 gespaard.”

De rechter kijkt me nog steeds aan. Zijn ogen staan erg vriendelijk. De rimpeltjes rond zijn mond krullen een beetje.

”En welke boeken zou je graag willen kopen?”

“Wiskunde.” Dat is makkelijk te beantwoorden. “En Engels. En Frans, als het kan. Frans is een heel mooie taal. En een boek over de sterren en de planeten. Astronomie, ja, nu weet ik het weer. Astronomie, niet astrologie. Ik geloof niet in astrologie. En een wereldatlas. Ik zou ook graag films willen kijken. Vroeger keek ik thuis soms Star Trek. Maar dat zullen de zusters wel niet goedvinden.”

Ik sla mijn ogen neer en buig mijn hoofd. Misschien vraag ik wel veel te veel aan de rechter.

“Ga nu maar terug, met zuster overste en de anderen,” zegt de rechter. “We zullen elkaar nog wel vaker zien.”

Als we weer bij de poort aankomen, is het al donker. Ik ben blij, als ik weer op mijn kamer ben. Het is een drukke dag geweest. Na het eten wil ik nog wat lezen over Zuid-Afrika, maar ik ben moe. Ik ga op bed liggen, maar ik kan niet slapen. Uit mijn geheime bergplaats neem ik een half pilletje. Ik loop in de boekenwinkel en ik mag kiezen wat ik wil. De stapel is zo groot, dat ik hem niet kan dragen. Als luitenant Spock me te hulp schiet, weet ik dat ik droom. Ik schrik wakker, neem een slokje water en ga weer liggen.

6

“Hier heb je kleren. Kleed je aan, we gaan op reis!” is alles wat de dikke zuster met de knot zegt, terwijl ze een blauwe broek, een grijze trui en een jack met dezelfde kleur op mijn bed gooit. “Snel dooreten, we vertrekken over een half uur!”

De dokter staat al te wachten. Zoals wel vaker gebeurt, controleert hij vandaag of ik mijn pilletjes wel doorslik. Als hij weer weg is, doe ik wat ik altijd doe in dit geval. Nadat ik de WC heb doorgetrokken, trek ik de klaargelegde kleren aan. De broek zit een beetje los rond mijn middel. Riemen krijgen we hier nooit, maar ik heb nog een stuk touw verstopt. Daar lukt het wel mee. De trui en het jack zitten lekker.

Vandaag zit ik op de achterbank van een auto met zijramen.

We stoppen thuis voor de deur. De zuster stapt eerst uit en opent dan het portier aan mijn kant. Mama staat al buiten te wachten. Ik omhels haar. Ik ben nu even lang als haar. Ik voel dat ze mager is geworden. Ze is heel blij, me te zien.

Terwijl Mama en de zuster met elkaar praten, loop ik naar mijn kamer. Ik zet mijn poppen recht en strijk hun kleren glad. Mama heeft goed voor ze gezorgd. Mijn kamer ziet er nog steeds hetzelfde uit. In de hoek laat het behang een beetje los. Ik haal de 32,75 uit mijn spaarpot. Ik vertel Mama dat ik graag naar de boekenwinkel wil. En daarna koffiedrinken. Ik trakteer. Maar dat hoeft niet, zegt Mama. Ze heeft zelf geld. Voor de boeken en voor de koffie.

De chauffeur zet ons af voor de boekenwinkel. Met zijn drieën lopen we naar binnen. Ik kijk mijn ogen uit. Het is lang geleden dat ik zoveel boeken heb gezien.

“Wil je niet ergens anders heen?” vraagt Mama. “Naar het park? Of, als het van de zuster mag, naar de bioscoop?” Ik antwoord, dat ik liever in de boekenwinkel ben en dat ik haar straks toch op koffie wil trakteren.

Als ik zeven boeken heb uitgezocht, wil de zuster even kijken. Eén boek moet ik terugleggen, maar ik mag er wel een boek voor in de plaats uitzoeken. Nadat ik klaar ben, sluiten we aan in een van de rijen voor de kassa’s.

 

In de rij naast ons zit een oud dametje in een invalidenwagentje. Haar gezicht is gerimpeld, haar haren zijn wit. Ze heeft blije ogen. Ze kijkt me aan en glimlacht. Ik glimlach terug. Bij deze vriendelijke vrouw heb ik geen moeite om terug te kijken. Waar zou ze wonen? Zou ze een eigen huis hebben? Zou haar man nog leven? Of zou ze in een tehuis wonen, op een kamertje, waar de zuster drie keer per dag eten komt brengen en de dokter soms langskomt? Een kamertje net zoals ik?

Een jongen komt hard aanlopen, trekt haar tasje uit haar handen en rent naar de uitgang. “Hé, terugkomen! Hier blijven!” hoor ik de zuster achter me roepen, terwijl ik uit de rij wegren, de dief achterna. Ik schreeuw zo hard als ik kan, dat ze hem tegen moeten houden, maar niemand luistert. Iedereen stapt opzij, zelfs de man bij de uitgang met de walkie-talkie doet niets. De dief rent de winkel uit. Harder moet ik!

Buiten op het trottoir blijft hij staan en draait zich om. “Had je wat?” schreeuwt hij. “Oprotten!”

Ik kan mijn vaart niet inhouden en bots tegen hem aan. Hij struikelt over het lege fietsenrek achter hem en valt achterover op straat. De bus met gierende banden komt pas een paar meter verder tot stilstand. De tas ligt op de stoep naast het lege fietsenrek. Ik pak hem op, draai me om en wil de winkel weer binnenlopen, maar de man met de walkie-talkie grijpt me vast. Mama wil me lostrekken en als dat niet lukt, begint ze hem op zijn arm te beuken. “Laat haar los, idioot! Ze heeft niks gedaan!” Al slaand schreeuwt ze allemaal woorden die ze me vroeger verboden heeft, maar ik snap het wel. Het is allemaal een vergissing. Straks zal de man met de walkie-talkie me wel loslaten.

Maar hij laat me niet los. De zuster trekt Mama weg, maar dat lukt pas als er nog twee andere mannen uit de winkel komen. Met z’n drieën trekken en duwen ze Mama naar achteren. Nog nooit heb ik Mama zo hard horen huilen. De man met de walkie-talkie duwt me op de grond en gaat half op me zitten, zijn knie in mijn rug. Ik houd me rustig. Aan de rechter zal ik alles uitleggen. Het is allemaal een vergissing. Hij zal me begrijpen.

7

23 dagen later moet ik weer bij de rechter met de blauwe ogen komen. Ik vertel hem precies, wat er gebeurd is. De rechter luistert. Hij is een goede man. Zo komt alles toch nog goed. Ik mag terug naar het huis, terug naar mijn vertrouwde kamer. Mijn boeken mag ik meenemen. Mijn leven is weer zoals vanouds.

87 dagen lang.

Op dag 88 word ik weer meegenomen in de auto zonder ramen. Nu is er een andere rechter. De zaal is wat groter. In de zaal zijn camera’s. Ik moet gaan zitten. Mijn voeten worden met een ketting aan de tafel vastgemaakt. Een man komt naast me zitten. Hij heeft net zo’n zwart gewaad aan als de rechter en de anderen die voorin de zaal zitten.

Een vrouw die links voorin de zaal zit, begint te praten. Een kansloze jongen die in paniek is weggerend. Hij wilde helemaal niets stelen. Hij had toch makkelijk kunnen wegrennen? Maar dat deed hij niet. Hij bleef voor de winkel op de stoep staan en werd toen door een psychopate op proefverlof onder de bus geduwd. Een psychopate die zelfs nog terug de winkel in had willen lopen, alsof er niets gebeurd was.

Als de rechter de man naast mij het woord geeft, vertelt hij het echte verhaal, zoals ik hem wel honderd keer heb moeten vertellen. Een jonge vrouw die niet had kunnen aanzien dat een oud dametje werd beroofd. Die als enige deed, wat iedereen had moeten doen. De dader achterna.

De rechter kijkt mij aan, over zijn grote bril op het puntje van zijn aardappelneus, en vraagt me of ik spijt heb. Met de man naast me heb ik ontelbare keren alles geoefend. Zeggen dat je het je spijt, heeft hij me op het hard gedrukt. En vergeving vragen.

Ik kan maar moeilijk opstaan, door de ketting, maar ik doe het toch. Ik kijk de rechter aan. Dan de man naast me, die me een knikje geeft. Dan de mensen en de camera’s in de zaal, voor zover ik me kan omdraaien. Dan de rechter weer.

“Ze moeten van een anders spullen afblijven,” antwoord ik zo helder mogelijk als ik maar kan. “Een oude vrouw beroven. Durven ze wel? Lafbekken!”

Ik kan mijn woede maar nauwelijks onderdrukken. Ik voel tranen opwellen, maar ik houd me in. Vandaag zal niemand mijn tranen zien. Ik boor mijn ogen in die van de rechter, over zijn afzakkende bril heen. Als iemand weet wat recht is, is het wel de rechter. Toch?

 

Precies twee weken later moet ik weer naar de rechtbank. De rechter en de andere zwartjurken komen binnen. We mogen pas gaan zitten als zij ook zitten. Dan begint hij te lezen.

Het is langdradig, maar de dingen die ik onthoud zijn ‘kansloze jongen’, ‘gewelddadig sinds haar kindertijd’, ‘psychopate’, ‘grote kans op herhaling’ en ‘TBS’. “Ga ik naar de gevangenis?” vraag ik aan de man in het zwart naast me. Hij schudt zijn hoofd, houdt heel even mijn hand vast, maar dan word ik weggetrokken.

Ik word naar buiten geleid, waar een busje met getraliede ramen staat te wachten. Als ik naar buiten stap, beginnen honderden mensen te schreeuwen. Mijn handen zijn geboeid en ik kan mijn oren niet bedekken. Maar dan beginnen ze naar me te klappen en te zingen. Links en rechts zie ik spandoeken met mijn naam erop, en dat ze van me houden. Sommigen gooien bloemen naar me toe. Overal zie ik flitslichten van fototoestellen.

Lang, heel lang geleden heb ik vaak gefantaseerd dat ik beroemd zou zijn. Filmster of zangeres. Mensen die voor me klappen, naar me juichen, roepen dat ze van me houden. Mijn foto in alle kranten.

Als het busje met de getraliede ramen wegrijdt door de klappende en zingende menigte, wordt mijn droom voor heel even werkelijkheid.

Het mooiste moment van mijn leven.

8

4.565 dagen geleden is het nu, sinds ik hier werd binnengebracht met het busje met de getraliede ramen. Twaalf en een half jaar wordt vaak gevierd. Twaalf en een half jaar op je werk. Twaalf en een half jaar getrouwd. De club bestaat twaalf en een half jaar. Twaalf en een half jaar in het gekkenhuis. Of, met een deftigere omschrijving: Twaalf en een half jaar in het Forensisch Psychiatrisch Centrum.

Het eerste jaar was moeilijk. Ik had nog wel een kamertje voor mezelf, nog steeds, trouwens, maar het was een kale bedoening. Boeken lezen mocht ik niet. Ik mocht helemaal niks. Zelfs niet alleen eten. Steeds langer moest ik in de gemeenschappelijke ruimte blijven. Gek werd ik, van al die drukte en soms van het gekrijs van andere patiënten. Maar ja, gek was ik natuurlijk al. De pilletjes van de dokter nam ik meestal wel in. Dan ging tenminste de tijd wat sneller. En kon ik de drukte wat beter verdragen.

Nadat ik na een jaar weer bij de rechter was geweest, ging het wat beter. Ik mocht helpen in de bibliotheek. En ook boeken mee naar mijn kamer nemen. In het vijfde jaar mocht ik ook in de tuin gaan helpen. De tuin helpt me met mijn regelmaat. In oktober bollen planten. In november bladeren harken. In december en januari heeft de tuin rust. In februari komen de krokussen. Ik wacht tot het er veel zijn. Dan begin ik met plukken en zet om de paar dagen vaasjes met verse krokussen in de recreatieruimte.

De dokter blijft soms wat langer. Massage op mijn blote huid is goed voor me, zegt hij. Het is voor jonge vrouwen niet goed, als ze nooit gemasseerd worden, volgens de dokter. Ik mag dan wel gek zijn, maar zo gek ben ik nou ook weer niet. Maar ik laat het maar zo. Vorig jaar heeft hij toch maar mooi geregeld dat ik TV op mijn kamer kreeg. En iedere week krijg ik wat extra chocolade en een paar gevulde koeken. De helft bewaar ik voor Nellie, een mager meisje van een jaar of twaalf, dat hier 91 dagen geleden is komen wonen. Ik heb medelijden met haar. Ze had een jongen uit haar klas met zijn hoofd tegen de muur geslagen. Toen hij maar niet ophield met schelden, gooide ze hem op de grond en bleef net zo lang bovenop hem zitten, totdat hij stil was.

De rechter had haar gevraagd of ze spijt had. “Hij schold me uit voor sprinkhaan,” had ze geantwoord. “Al twee jaar lang.”

“Schelden doet geen zeer,” had de rechter gezegd.

“U moet nog veel leren,” was haar laatste antwoord geweest. Ze hadden haar naar buiten geleid, naar een busje met getraliede ramen. Er waren geen camera’s, geen schreeuwende mensen. Er was helemaal niemand.

 

Ik ga nog steeds één keer per jaar naar de rechter. Heel veel verschillende rechters heb ik al gezien. De laatste keer werd er heel even over proefverlof gesproken. Maar dat ging niet door. Ik ben een psychopate. Een gevaar voor de samenleving. De laatste keer was ik nog maar net een paar uur op proefverlof, en ik gooide al iemand onder de bus. En het besef van spijt wil maar niet komen.

Erg vind ik het niet. Niet meer. Het zou fijn zijn om weer bij Mama te wonen, maar Mama mag nu zelf regelmatig langskomen. Als het lekker weer is, lopen we samen door de tuin. Haar haren zijn nu helemaal grijs geworden. Ze loopt een beetje gebogen. Na onze wandeling gaan we altijd samen op een bankje in de tuin zitten. Mama schenkt dan twee bekers vol uit haar meegebrachte thermosfles met warme chocomel. In haar plastic trommeltje heeft ze twee plakken koek.

Ze woont alleen, maar het is beter zo, zegt ze. Ze werkt op een kantoor. Vrijdags is ze altijd vrij. Papa heeft ze al jaren niet meer gezien. Ik ook niet. Gelukkig.

Verder interesseert de buitenwereld me niet zo. Een paar jaar geleden had ik nog graag een lieve man ontmoet, maar dat is over. 29 jaar is nog jong, zei pas nog een zuster tegen me. Zuster Lisa is 44, niet getrouwd, en is dag en nacht hier. Net zoals ik. Maar ik ben patiënt. Toch zie ik haar een beetje als een vriendin. Ze zal hier misschien de rest van haar leven wel blijven, heeft ze eens tegen me gezegd. Wie weet, ik ook wel, dacht ik toen. Ik ben niet geschikt om te trouwen. En voor kinderen al helemaal niet. Welk kind wil er nu een moeder uit het gekkenhuis?

9

“Je moet stoppen met dagen tellen,” zegt zuster Lisa terwijl we de rododendron snoeien. Ze kijkt me aan en glimlacht. “Het maakt je snel oud.”

“Vind ik niet erg”, antwoord ik. Zuster Lisa is de enige vriendin die ik ooit heb gehad. Ze bedoelt het goed, maar het geeft me rust om te weten dat ik hier nu 8.608 dagen woon. 23 keer heb ik de tuin tot leven zien komen. De krokussen, de primula’s, de hyacinten, de rododendron.

De zusters hebben een taart voor me gebakken. Vanmorgen hebben ze gezongen, samen met de patiënten. Ik heb de taart aangesneden en met zijn allen hebben we mijn verjaardag gevierd. Weer een jaartje ouder, zei de directrice, toen ze even langs kwam en me feliciteerde. Natuurlijk ben ik alleen maar een dag ouder geworden, net zoals alle andere dagen. 14.610 dagen. 40 jaar.

 

Gisteren heeft Mama gebeld. Ze kan vandaag niet komen. Ze voelt zich niet zo lekker. De directrice vond het goed, dat ik vanmiddag met zuster Lisa bij Mama langsga.

Ik zit naast zuster Lisa in de auto en geniet van het zonnige landschap. Bossen en weidelanden wisselen elkaar af. We rijden over een lange brug, waaronder het water van de rivier glinstert in de zon. Bij een benzinestation stoppen we even en genieten van koffie en een gevulde koek. Ik heb in jaren niet zo’n fijne verjaardag gehad.

Tijdens het laatste stuk van de reis komt er bewolking opzetten. We rijden het dorp in. De slagerij en de bakkerij zijn verdwenen. In plaats daarvan is nu een supermarkt gebouwd. Mensen haasten zich, met hun boodschappenkarretjes, in de miezerige regen naar hun auto’s. Langzaam rijden we door het dorp. Ook mijn vroegere school is verbouwd. Voor het gebouw speelt een groepje kinderen. Met hun regenlaarsjes stampen ze in de plassen op het plein. Vanuit de deur worden ze toegeroepen in een vreemde taal door een vrouw met een kleurig kleed om zich heen gewikkeld. Amnesty International en Vluchtelingenwerk Nederland lees ik op een aantal posters die sommige van de ramen gedeeltelijk blinderen.

Als zuster Lisa de auto voor Mama’s huis parkeert, is het harder gaan regenen. De voortuin, vroeger Mama’s trots, ligt er mistroostig bij. Ik neem me voor om straks zuster Lisa toestemming te vragen, om Mama te helpen met de tuin. Volgende week, misschien, als zuster Lisa en ik klaar zijn met onze eigen tuin.

Door de regen lopen we naar de voordeur. Ik bel aan en tel tot tien. Nog maar eens proberen. Weer tel ik tot tien.

“Misschien is ze boodschappen doen,” zegt zuster Lisa.

“Kan niet,” antwoord ik, terwijl ik door de brievenbus naar binnen kijk. “Haar jas hangt aan de kapstok. En haar boodschappenkarretje staat in de gang.”

Zuster Lisa belt nog een keer, klopt op de deur en op het raam, en ik roep door de brievenbus. Dan pakt zuster Lisa haar telefoon.

 

De politie is er in 9 minuten. De deur hebben ze open in 31 seconden. Dan lopen we naar binnen.

Mama zit in haar leunstoel. Ze doet welk vaker een middagdutje, heeft ze gezegd. Ik wil haar voorzichtig wakker maken.

Ik pak haar hand, maar laat van schik weer los. Voorzichtig raak ik haar wang aan, maar die voelt al even ijskoud aan. Dan beginnen de muren te draaien. De politieagent kan me nog net op tijd vastgrijpen. Voorzichtig laat hij me op de sofa zakken. Zuster Lisa komt naast me zitten en slaat een arm om me heen.

“Ze is ingeslapen,” fluistert ze. “Ze heeft geen pijn geleden.”

10

Samen met zuster Lisa komt de nieuwe directrice op mijn kamer. “Even kennismaken,” zegt ze, terwijl ze mij de hand schudt. Ze grijze ogen staan vriendelijk, maar ik zie dat ze een hoop heeft meegemaakt. Haar wangen bollen een beetje op, als ze glimlacht. Ik heb geen moeite, om haar recht aan te kijken, en ik noem mijn naam. “Aangenaam,” voeg ik eraan toe, zoals Mama me vroeger heeft geleerd, maar wat ik alleen zeg, als ik iemand aardig vind.

“Mevrouw de directrice zou graag willen, dat we haar samen rondleiden,” zegt zuster Lisa.

“Ik heb de dahlia’s nog niet bijgeknipt,” fluister ik naar haar, maar ze fluistert terug, dat dat niet erg is. Ik ga de directrice voor naar de recreatieruimte. In de keuken leg ik haar uit, hoe de oven werkt. In de bibliotheek laat ik haar mijn zelfbedachte indexeringssysteem zien. In de tuin vertel ik haar alles van de seizoenen, en het werk dat zuster Lisa en ik aan de tuin hebben, behalve in november en december. Gelukkig ziet ze niet, dat er wat verdorde bloemen aan de dahlia’s zitten.

Na de rondleiding mag ik theezetten voor ons drieën. Hoe lang ik hier al ben, wil ze graag weten. “Bijna dertig jaar,” antwoord ik. Om precies te zijn, 10.946 dagen, maar dat klinkt raar, zegt zuster Lisa iedere keer weer.

De directrice zegt, dat ze graag even met zuster Lisa verder wil praten. Ik ben blij dat ik weer weg mag. Ik moet de dahlia’s nog bijknippen.

 

Het is weer tijd voor mijn jaarlijkse bezoek aan de rechter. De directrice gaat ook mee. En de nieuwe dokter. Zuster Lisa heeft me wat van haar kleren geleend. Een lichtblauwe jurk met een iets donkerder jasje. En ze heeft me geholpen, om mijn haar op te steken. Ze wilde wat lippenstift opdoen, maar dat verdraag ik niet.

De rechter is aardig. Ze vraagt me haar te vertellen, wat ik zoal de hele dag doe. Ik vertel haar over het helpen met koken, zuster Lisa en de andere zusters soms helpen met het eten geven van patiënten, mijn werk in de bibliotheek, mijn indexeringssysteem, en de tuin. Als we straks op tijd thuis zijn, kan ik nog dode bladeren harken. “Maar natuurlijk heb ik geen haast, edelachtbare,” corrigeer ik mezelf nog net op tijd.

Natuurlijk mogen rechters niet lachen in de rechtszaal, maar ik weet zeker, dat ik een glimlach op haar gezicht zie. Dan praat ze verder met de directrice en de dokter. Een paar keer vang ik de woorden “begeleid wonen” op. Ik heb geen idee, waar ze het over hebben. Maar misschien luister ik wel niet goed. In de rechtszaal kan ik me altijd moeilijk concentreren.

Op de terugweg klinken de directrice en de dokter erg opgewekt. We stoppen bij een wegrestaurant om koffie te drinken. Of ik er een gebakje bij wil, vraagt de directrice. Ik wil wel, maar ik durf niet. Gebakjes zijn moeilijk te eten. Misschien doe ik het wel verkeerd. Misschien laat ik het wel vallen. Ik vraag of ik een gevulde koek mag. De directrice bestelt er twee. Een stop ik er in mijn zak. Voor zuster Lisa.

 

De volgende dag komt zuster Lisa vragen, of ik meega naar de kamer van de directrice. Ze wil graag met me praten. Trillend loop ik mee. Heb ik dan toch iets fout gedaan, gisteren?

Als we binnenkomen in de ruime kamer met een groot houten bureau en een zithoek met een sofa en drie leunstoelen, zit de dokter er ook. Nadat we op de sofa zijn gaan zitten, schenkt de directrice zelf thee in, maar ik durf het kopje niet op te pakken.

“Ik heb heel goed nieuws voor je,” begint de directrice. Haar grijze ogen glinsteren. Haar wangen bollen een beetje op. Ik kijk naar de dokter en naar zuster Lisa. Ook zij kijken blij.

“We hebben de rechter verteld dat je een sterke vrouw bent. Je hebt een groot verantwoordelijkheidsgevoel, je helpt met koken, met de tuin, helpt zelfs andere patiënten, en de bibliotheek, die regel je helemaal zelf.”

Heel even pauzeert de directrice, terwijl ze een slokje van haar thee drinkt.

“En de rechter vindt dat je een kans verdient.”

De directrice kijkt me vriendelijk aan. Ik denk dat ze verwacht dat ik nu iets terugzeg, maar ik weet niets te zeggen.

“In het dorp waar je vandaan komt, is een project ‘begeleid wonen’. In een huis wonen vijf mensen en een begeleider. De bewoners doen zoveel mogelijk samen, of om de beurt. Koken, schoonmaken, boodschappen doen… er is zelfs een tuin.”

“En,” valt de dokter in, “ze zoeken hulp in de plaatselijke bibliotheek!”

Ik kijk het kringetje rond. De directrice, de dokter, zuster Lisa, alle drie kijken ze blij. De directrice buigt zich voorover en pakt mijn hand.

“Gefeliciteerd meid… je mag terug de maatschappij in!”

11

De winter is vroeg, dit jaar. De tuin ligt er vredig bij, deze vrijdagochtend, met een laagje rijp op het gras en de struiken.

In alle vroegte heeft zuster Lisa me geholpen met mijn tas. Veel valt er niet in te pakken. Wat kleren en wat toiletspullen. Mijn jeans, mijn trui en mijn jas trek ik aan. Mijn poppen neem ik mee in een aparte doos. Verder zal zuster Lisa me nog helpen om wat nieuwe kleren te kopen.

Na het inpakken verrassen de zusters en een aantal patiënten me met een feestelijk ontbijt. Na het eten gaan we langs bij de directrice. Ze wenst me alle goeds en omhelst me zelfs. Met zuster Lisa loop ik door de koude decemberlucht naar de auto. Onze adem verandert in witte wolkjes en we moeten eerst de rijp van de autoruiten afkrabben.

Dan gaan we op weg. Ik ken de weg nog van zes en een half jaar terug, mijn veertigste verjaardag. De dag die zo mooi begon en zo triest eindigde.

Ik zit naast zuster Lisa in de auto en kijk naar de donkere wolken. Bossen en weidelanden wisselen elkaar af, hier en daar nog met een laagje rijp. We rijden over de lange brug, waar het water van de rivier als een grijze slang onderdoor kruipt. Bij een benzinestation stoppen we even en genieten van een laatste koffie en een gevulde koek.

Tijdens het laatste stuk van de reis wordt de bewolking donkerder. We rijden het dorp in. Op het terrein van de supermarkt haasten de mensen zich, met hun boodschappenkarretjes, door de gure kou naar hun auto’s. Langzaam rijden we door het dorp. Op het plein van mijn vroegere school staan twee mannen te roken. Ze roepen iets tegen iemand in het deurgat in een taal die ik niet versta. De posters van Amnesty International en Vluchtelingenwerk Nederland hangen er nog, maar op een van de posters is met zwarte verf een vreemd teken gespoten. De verf van de deur en de ramen is gedeeltelijk afgebladderd. Het hek is verroest. We stoppen en vragen de weg naar het huis. De twee mannen wijzen ons vriendelijk de weg.

 

De magere man die opendoet, stelt zich voor als Nico. “Ik ben de projectbegeleider,” legt hij zuster Lisa uit. Tegen mij zegt hij niks.

Het huis is eerst een dokterspost geweest, legt Nico uit. Vandaar die gang met allemaal kamers. De grootste kamer is de gemeenschappelijke kamer. En daarnaast de keuken. Achterin zijn twee WC’s en twee doucheruimtes, apart voor de mannen en de vrouwen.

Nico moet zijn stem verheffen, want in de woonkamer maken een man en een vrouw ruzie over de afstandsbediening. In de keuken stinkt het naar verbrande frituurolie. De deurknop voelt vet aan. We lopen door de gang naar achteren. Achterin ruik ik de WC’s.

“Hier is je kamer.” Nico wijst naar rechts, doet de deur open en gaat ons voor naar binnen. Ik moet een beetje kokhalzen van de weeë schimmellucht, maar ik beheers me. Inademen door je mond, zeg ik tegen mezelf, en rustig uitademen.

Tegen de muur met vergeeld behang staat een ledikant. Aan de buitenmuur staat een tafeltje bij het raam dat uitkijkt op een muur van halfvergane bakstenen. Door de open deur hoor ik nog steeds de twee kemphanen in de woonkamer. Door de binnenmuur heen hoor ik een vrouw die vals zit mee te zingen met de radio.

“Waar is de tuin?” vraag ik aan Nico.

Hij kijkt verbaasd. Dan wijst hij door het raam naar buiten. Ik zie een binnenplaatsje van twee meter breed, vol met rondslingerend puin en oud ijzer, en een strook grond waar het onkruid het al jaren voor het zeggen heeft.

“En de bibliotheek?”

“Wat bedoelt ze?” Nico kijkt verbaasd naar zuster Lisa. Hij snapt er niks van.

“Waarom vraag je dat ‘ze’ zelf niet?” antwoordt zuster Lisa. Ik heb haar ogen nog nooit zo donker gezien. Ik ben bang.

“Nou?” Nico heeft zich nu naar mij gedraaid. Met zijn handen in zijn zij probeert hij stoer te doen, maar het is een miezerig mannetje.

“Ik ga in de bibliotheek werken,” antwoord ik, terwijl ik mijn ogen in de zijne boor. Ik mag niet knipperen.

“Werken…” hoor ik hem zuchten, terwijl hij zich omdraait en naar de deur loopt. “Nou, kom op! Pak je spullen uit de wagen!”

“Ik wil de bibliotheek zien,” zeg ik tegen zuster Lisa. “Tenslotte ga ik daar werken.”

 

De dame in de bibliotheek weet van onze komst, maar had ons nog niet verwacht. “Oh ja, van de Participatiewet,” zegt ze tegen zuster Lisa. “We hadden haar pas volgende week verwacht. Maar het geeft niet hoor! We kunnen haar wel meteen laten beginnen.”

“Kunt u misschien gewoon tegen ‘haar’ zelf praten?” valt zuster Lisa in de rede. Haar ogen staan weer net zo donker als zonet tegen Nico. De dame van de bibliotheek heeft gelukkig niets in de gaten.

Ik krijg een rondleiding in de bibliotheek. De dame is niet onvriendelijk, maar praat tegen me alsof ik een kind van zes jaar oud ben. Drie keer zie ik een boek dat verkeerd in de stelling staat. “IJ hoort bij de i, niet bij de y,” leg ik de dame geduldig uit bij het derde boek. De rondleiding is snel afgelopen.

“Boeken terugzetten, stofzuigen, koffiezetten, en tussen de middag broodjes halen,” antwoordt de dame, als we in haar kantoortje zitten en ik, kennelijk onverwacht, het gevraagd wat voor werk ik zoal ga doen. “En aanmaningen schrijven, als de mensen hun boeken niet op tijd terugbrengen.”

“Doet de computer dat niet?” kan ik niet nalaten te vragen. “En zal ik uw indexeringssysteem eens aanpassen? Het is ‘Linden, van der’, maar Vanderlinden als het Amerikaans is. Of Vlaams. En ‘Den Helder’ hoort onder de D, niet onder de H.

De dame kijkt me aan, kijkt dan naar zuster Lisa, die zonder iets te zeggen terugkijkt, en dan weer naar mij.

“Maandagochtend negen uur beginnen,” zegt ze tenslotte. “En neem een stofjas mee.” Dan kijkt ze op haar horloge. “Plicht roept,” zegt ze, terwijl ze opstaat, wat we dan ook maar doen.

“Kunnen we nog even langs het huis van Mama rijden?” vraag ik, als we weer in de auto zitten.

“Natuurlijk,” zegt zuster Lisa, terwijl ze de auto start, de kachel aanzet en de weg opdraait. Schuin kijk ik haar aan. Haar ogen zijn vochtig.

12

De groene verf van de voordeur en de kozijnen is voor een groot deel verdwenen. Er hangen nieuwe, lelijke gordijnen. De voortuin is een blubberpoel, waarin een berg steenpuin, een stapel oud hout en een autoband overwoekerd zijn door onkruid. Het tuinhek is half weggezakt. “Laten we maar gauw doorrijden,” fluister ik. “Kunnen we nog even naar de supermarkt?”

“Wat wil je kopen?” vraagt zuster Lisa, als ze de auto op het terrein van de supermarkt heeft geparkeerd.

“Ik wil niks kopen. Gewoon even rustig zitten.”

“Daar links staat een stroopwafelkraam. Zal ik een stroopwafel voor je halen?”

“Ja graag. Dat lijkt me lekker. We hebben nog niet gegeten.”

“Dan koop ik er voor allebei twee. Wacht even. Ben zo terug.”

In stilte genieten we van onze stroopwafels. De eerste heb ik gauw op. Met de tweede wil ik zo lang mogelijk doen. Allebei kijken we voor ons uit. Naar de mensen die, diep weggedoken in de kraag van hun jas, hun boodschappen in hun auto laden en dan naar huis rijden.

Naar de geborgenheid van hun eigen, vertrouwde huis.

“Ik wil niet,” fluister ik zacht. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe zuster Lisa zich naar me toedraait.

“Ik wil niet,” herhaal ik.

“Wat wil je graag?” Zuster Lisa heeft mijn hand gepakt. Zo blijven we een minuutje stil zitten.

“Terug naar huis,” antwoord ik. “Net als al die mensen hier. Weg uit de kilte. Gauw terug naar huis.”

We kijken naar de kerstversiering op het plein. De lichtjes branden al. Het is pas drie uur, maar de lichtjes geven deze donkere dag een warme gloed. We zien een man en een vrouw die een winkelwagentje vol met kerstversieringen in hun auto laden. Verderop binden twee mannen een sparrenboom op het dak van hun auto.

“Blijf hier wachten, ik moet even bellen,” zegt zuster Lisa plotseling. “Vijf minuutjes maar. En ik breng warme chocomel mee.”

Ik sluit mijn ogen. Mama strijkt me door mijn haar en zet een beker warme chocomel voor me op tafel. Met een plak koek. Ze vraagt, hoe het op school was. “Noord-Brabant geleerd,” antwoord ik. “Breda, Tilburg, ’s-Hertogenbosch. Maar je mag ook ‘Den Bosch’ zeggen.”

 

Voorzichtig zet zuster Lisa de chocomel in de bekerhouders van het dashboard. “Luister goed,” zegt ze, terwijl ze mijn hand pakt. “Ik heb net met de directrice gebeld.” Ze kijkt me aan en knijpt me in mijn hand.

“We gaan terug naar huis. Voorlopig mag je blijven. Kerst, oud en nieuw, daarna zien we wel weer, maar met de feestdagen ben je thuis.”

Ze omhelst me en houdt me stevig vast. Ik voel haar tranen tegen mijn wang. “Met de feestdagen ben je thuis,” fluistert ze.

Tien minuten lang genieten we in stilte van onze chocomel. Dan start zuster Lisa de motor. “Laten we maar gaan. Zijn we mooi met het avondeten thuis.”

13

De donkere dagen voor kerstmis zijn mooi. De twee lange linten van de lichtjes op de snelweg wijzen ons de weg naar huis. Het rode lint rechts, links het witte lint. Het water onder de lange brug steekt mooi donker af tegen het gele lint van de verlichting op de brug. Op het land worden nu de contouren van de bossen zichtbaar. We passeren het wegrestaurant, waar nu de kerstverlichting brandt.

Het is al helemaal donker, als ik het vertrouwde geknerp van de steentjes van de oprit hoor. Zuster Lisa parkeert voor de deur. Twee andere zusters staan al in het deurgat te wachten en helpen me met mijn tas en de doos met mijn poppen. Binnen komen de behaaglijke warmte en de geur van mijn lievelingsgerecht me tegemoet. Twee patiënten beginnen hard te huilen en omhelzen me, alsof ik jaren ben weggeweest. Bijna was het ook zo. Vandaag ben ik ternauwernood ontsnapt aan mijn gevangenschap.

We gaan meteen aan tafel. Nog nooit heb ik zulke lekkere zuurkool met worst gegeten. De patiënten zijn erg druk, maar dat kan ik vandaag heel goed verdragen. Iedereen is blij. En iedereen is aardig.

Na het eten sta ik op, om de borden op te ruimen voor de vaat, maar zuster Lisa houdt me tegen. “De directrice is er nog,” zegt ze. “We gaan even langs.”

Voor de tweede keer vandaag, omhelst de directrice me, maar nu wat langer. Eindelijk komen mijn tranen. Ik begin ongecontroleerd te schokken, en met zijn tweeën helpen ze me op de sofa. Ze komen aan beide kanten van me zitten leggen allebei een hand op mijn rug.

“Het spijt me,” kan ik eindelijk met horten en stoten uitbrengen. “Het spijt me zo verschrikkelijk. U bent zo goed voor me. En zuster Lisa ook. Altijd al geweest.”

Ik haal drie keer diep adem, voordat ik verder ga. “Ik wil u niet teleurstellen, maar… ik kan het niet. Ik kán het niet!” Eindelijk durf ik het toe te geven. Aan de directrice, aan zuster Lisa. En aan mezelf.

“Wat zou je graag willen?” fluistert de directrice na een korte stilte.

Ik veeg mijn ogen droog met mijn mouwen, kijk naar de directrice, naar zuster Lisa, dan weer naar de directrice. Ik haal diep adem. Het is nu of nooit.

“Ik wil hier blijven,” antwoord ik vastbesloten. “Net als zuster Lisa. Gewoon hier blijven.”

14

Het is nog maar net licht. Na het ontbijt heb ik de zusters geholpen met het afruimen. Nu moet ik eerst de kerstverlichting buiten ophangen. Het snoer met de lichtjes heb ik buiten al uitgerold en ik heb de verlichting getest en twee lampjes vervangen. Nu het snoer nog netjes door de struiken draperen. Dat luistert heel nauw. Als ik om de dertig centimeter een lampje vastmaak, komt het precies uit. Stevig doorwerken. De kou deert me niet. Mijn adem maakt nog wolkjes. De rijp op de struiken en het gras zal zo wel verdwijnen. Jammer. Maar wie weet, gaat het nog wel sneeuwen.

 

Het was een lang gesprek, gisteravond. Ik had nog gevraagd, of de directrice niet naar huis moest, maar dat hoefde ze niet. Ze bleef wel vaker een nachtje slapen, had zuster Lisa later nog gezegd.

De directrice had me uitgelegd, dat ik nu geen ‘patiënt’ meer was. Dat had de rechter zo bepaald. En dat was heel mooi, van de rechter. Iedereen verdient een nieuwe kans, toch? En omdat de rechter nu had bepaald dat ik niet ziek meer was, mocht ik een nieuwe start maken. Dat zou niet meevallen, en daarom waren er door het hele land ‘Projecten Begeleid Wonen’. Om de overgang naar de maatschappij gemakkelijker te maken. En voor mij hadden ze een huis met begeleid wonen gevonden in de plaats waar ik vandaan kwam, zodat de overgang misschien…”

“Maar als ik geen patiënt meer ben, dan…” Ik was geschrokken van mezelf. Het was heel onbeleefd geweest om de directrice te onderbreken, maar ze had me aangekeken en naar me geknikt.

“Ga maar verder,” had zuster Lisa gezegd.

Ik had nog een keer diep ademgehaald en toen de directrice aangekeken. “Iedereen zegt altijd, dat er personeelsgebrek is,” was ik begonnen. “De zusters, de dokter, de vorige directrice. Het is zelfs op de televisie. Iedere keer weer. ‘Personeelsgebrek in de gezondheidszorg,’ is het dan weer op het journaal.”

Beurtelings had ik de directrice en zuster Lisa aangekeken. “Als er dan toch personeelsgebrek is…” Ik had diep ingeademd, en terwijl ik weer had uitgeademd, had ik gezegd:

“… dan kom ik hier werken.”

De directrice had nog iets gezegd over bezuinigen en geen salaris kunnen betalen, maar daar had ik niet over willen praten. “Ik kan koken, helpen met het eten geven van patiënten, de hele bibliotheek regelen, de tuin verzorgen,” had ik geantwoord. “Net zoals altijd.”

De directrice en zuster Lisa hadden elkaar aangekeken. “Ik hoef geen salaris,” was ik verdergegaan. “Ik krijg toch te eten? En nieuwe kleren, als mijn oude stuk zijn.” Even had ik moed verzameld voor het allerbelangrijkste. “En ik wil graag mijn kamer houden. Die is goed geïsoleerd. Soms kan ik slecht tegen drukte.”

Toen had de directrice me gevraagd om even naar mijn kamer te gaan. Ze moest eventjes met zuster Lisa praten, had ze gezegd.

Na 23 minuten had zuster Lisa me weer opgehaald van mijn kamer.

“Het is goed,” had de directrice gezegd. “Je mag blijven.”

Ze had me een van de drie volgeschonken glazen aangereikt en haar glas zachtjes tegen het mijne getikt.

“Welkom thuis.”  

 

Het eerste snoer met de lichtjes loopt nu door de struiken. Ik stop de stekker in het stopcontact in de buitenmuur en loop een paar meter naar achter. Nadat ik drie lichtjes nog wat heb verschoven, ben ik tevreden en ga verder met het tweede snoer voor de hoge conifeer in het perk voor de ingang. De conifeer is onze kerstboom. Met een lange stok met een haak kan ik zelfs de slingers in de boom draperen. Een van de zusters roept me binnen. Koffietijd. Goed, eerst maar koffiedrinken, dan. De laatste slinger hang ik straks wel recht. Vroeger zou ik de koffie hebben laten schieten. Maar ik werk hier nu officieel, dus dat kan nu niet meer.

Het is een lange werkdag. De kerstboom, helpen met de lunch, afwassen en de bibliotheek op orde maken. ’s Avonds na het eten heb ik eindelijk tijd om mijn poppen te verkleden. Ik haal de witte jurkjes en de rode bloesjes uit de doos. Ze zullen er netjes uitzien, met de kerst.

“Met de feestdagen zijn we thuis,” fluister ik.

Previous
Previous

Sint en Piet: afrekenen met het verleden, of heimwee naar vroeger?

Next
Next

Gelijker dan anderen