De bevrijding die niet kwam
1.
De felle mei-zon probeert door het smalle raam door te dringen en de duisternis te verjagen uit de kleine woonkamer. Het doet pijn aan mijn ogen, net zoals het geschel van de trompetten, het gedreun van de trommels en het zingen van de mensenmassa mijn oren teisteren. "Oranje boven," dreunt het door de straat, en "Leve de koningin."
De menigte wordt uitzinnig, als de eerste tanks de straat binnenrijden. Amerikanen, Canadezen en Britten die, uiteraard uit eigenbelang, het vuile werk hebben opgeknapt. Voor een regering die decennialang stront in hun ogen heeft gehad en het stomweg vertikte om in het leger te investeren. Voor de bevolking, van wie velen heulden met de vijand en hielpen om hun landgenoten in het ongeluk te storten, of tenminste hun ogen sloten voor de werkelijkheid en voortleefden onder de terreur van de bezetters, hun speldjes met het gebroken geweertje koesterend in de duisternis van hun ladenkastjes, zichzelf wijsmakend dat het allemaal wel meeviel en stilletjes hopend dat het allemaal vanzelf over zou gaan. Of niet. Nog nooit waren de winsten van Philips zo hoog geweest. DAF en Fokker deden vrolijk mee. Om over de NS maar te zwijgen.
De meute gaat het liefst gewoon weer verder, waar ze vijf jaar geleden gebleven waren. Bombardementen, de bezetting, duizenden soldaten en burgers die simpelweg zijn afgeslacht of, het is maar de vraag wat beter voor ze was, werden opgesloten, onder beestachtige omstandigheden zijn uitgehongerd, gemarteld of, simpelweg omdat ze van de verkeerde soort waren, werden opgepakt, gedeporteerd en vergast. Vijf jaar in de hel van de onderdrukking. Laten we het maar gauw vergeten. Alsof het nooit is gebeurd. Verder met het leven van alledag. Rotterdam, Eindhoven en Middelburg moeten snel weer worden opgebouwd, de sporen van de bombardementen uitgewist, alsof ze nooit hebben plaatsgevonden. Nijmegen, Den Haag en Amsterdam natuurlijk ook. Foutje van de geallieerden, so sorry. In onze goudmijn in het verre oosten is het ook de hoogste tijd om orde op zaken te stellen, zodat het uitbuiten weer gewoon kan doorgaan. Oranje boven, leve de koningin.
2.
Mei 1940. Ongeloof alom. "We hadden onszelf neutraal verklaard!" Hoe naïef kun je zijn. De arrogantie, om ook maar een moment te denken dat wij als miezerig landje wel even de wet konden voorschrijven aan de grootste militaire macht ter wereld.
Toen ik zeven jaar eerder naar de HBS ging, riep ik al dat iedereen stekeblind was. Dat onze oosterburen slecht tegen hun verlies hadden gekund, vijftien jaar daarvoor. Dat er een gevaarlijke gek aan de macht was gekomen, en dat ze vroeg of laat hun miezerige voortuintje Nederland zouden platwalsen.
Natuurlijk werd ik uitgelachen, zoals ik mijn hele leven al een pispaal was geweest. Klein van stuk, broodmager met een kippenborst, lijkbleek, sprieterige vlaskleurige haren en een bril met glazen zo dik als de bodem van een jampot. Ik werd nog net getolereerd, omdat ik regelmatig hand en spandiensten verleende met huiswerk maken. Maar uiteraard bungelde ik onderaan in de pikorde. Zelfs mijn ouders leken zich voor me te schamen. Mijn moeder, omdat mijn tantes mij keer op keer vergeleken met mijn neefjes en mijn nichtjes. Mijn vader, omdat hij mij keer op keer vergeleek met mijn broers en zussen, en waarschijnlijk tot de conclusie was gekomen dat mijn moeder een scheve schaats had gereden. Maar ja, hij had een voetveeg nodig om te koken, te wassen en te stoffen en had mij maar op de koop toegenomen.
Twee jaar voordat de oorlog uitbrak, slaagde ik voor mijn HBS en vond ik het thuis welletjes geweest. In de stad vond ik een leegstaand krot, dat me wel geschikt leek om een paar nachten in te bivakkeren. Na drie dagen schroefde ik met de punt van mijn zakmes het bordje 'Onbewoonbaar verklaarde woning' van de pui af, om er nooit meer weg te gaan. Een kraker avant la lettre. De buren schenen het wel best te vinden. Misschien waren ze wel blij, dat het bouwval niet verder verpauperde. Of misschien hadden ze andere dingen om zich zorgen over te maken. Tenslotte was het crisistijd. Ik vond een baantje bij Lippmann, Rosenthal & Co, als koerier. Bij nacht en ontij liep ik met zakken vol geld, juwelen en waardepapieren over straat, waardentransporten verzorgend tussen de bank, haar cliënten en andere banken, gecamoufleerd in een aftandse grauwgrijze lange jas die een zwerver nog bij het vuil zou hebben gegooid. Van iemand met zo'n uiterlijk als ik viel uiteraard niks te plukken, zo moeten ze gedacht hebben, dus veiliger kon het niet. Met de bank zou het slecht aflopen, vermoedde ik toen al, maar ik hield wijselijk mijn mond, hield wekelijks mijn hand op voor mijn loon, dat niet eens zo heel schamel was, en schreef me in bij de universiteit, waar ik een al even onzichtbaar en weinig spectaculair leven leidde als op de HBS. 's Avonds, als ik tenminste geen avondtransporten van de bank had, was ik maar wat blij dat ik me terug kon trekken in de veilige beschutting van het krot waar ik woonde, en waar ik, bij het licht van een rokende petroleumlamp, mijn collegewerk deed en mij stortte op een ziekelijke hobby van me: explosieven.
3.
Op een of andere manier moest ik indruk op Rosenthal hebben gemaakt. Op een gure, stormachtige novemberavond moest ik een pakketje bij hem thuis afleveren. Hij deed zelf open en vroeg me binnen te komen. Ik zou het wel koud hebben en een beker warme chocolademelk zou er wel ingaan, dacht hij zo. Of wat sterkers, misschien.
De dienstbode had met een vies gezicht mijn jas aangenomen en had haar gezicht pas weer in de plooi gestreken, toen Rosenthal haar opdroeg om twee bekers chocolademelk naar de studeerkamer te brengen.
"Ze zeggen dat je aan de universiteit studeert," trapte Rosenthal af, toen hij me in zijn studeerkamer met mahoniehouten lambrisering en de geur van politoer, in een van de leren fauteuils had gedirigeerd.
"Natuurkunde," antwoordde ik, "en zo nu en dan pik ik een college scheikunde mee."
"Hoe combineer je dat met je koerierswerk?"
"Voordeel van het student zijn. Als ik 's middags koerierswerk heb, studeer ik 's avonds. En vice versa. En als ik 's middags en 's avonds werk, sta ik 's morgens vroeg op."
"Waarom natuurkunde en scheikunde?"
"Ik specialiseer me in elektriciteit. Elektriciteit heeft de toekomst. Nog hooguit twintig jaar, dan rijden er geen stoomtreinen meer. De industrie zal een grootverbruiker worden. Huishoudens ook. Over vijfentwintig, dertig jaar heeft iedereen televisie."
Rosenthal zei niets. Hij keek me alleen maar aan. Als hij me voor gek had verklaard of had uitgelachen, had me dat niks kunnen schelen. Ik was het wel gewend. Maar zijn donkere ogen staarden me alleen maar aan, vanuit zijn benige gezicht met zijn borstelige wenkbrauwen en zijn haviksneus. Ik kon zijn blik niet peilen.
"Sigaartje?" vroeg hij, terwijl hij zich voorover boog naar de eikenhouten salontafel en een sigarendoos openklapte.
"Liever niet, dank u wel."
"Maar een borrel gaat er toch wel in, zeker?"
"Dat sla ik zeker niet af, meneer, heel graag."
Hij liep naar het buffet, kwam terug met een fles jonge klare, en twee jeneverkelkjes die hij tot de rand volschonk.
"Proost!" Hij hief zijn glas en sloeg het in één teug achterover. Het leek me gepast om de chocomel te laten voor wat het was en zijn voorbeeld te volgen, waarna hij de kelkjes nog maar eens volschonk.
"Wil je geen ander werk?" vroeg hij, nadat hij zijn glas voor de helft had geleegd. "Die jas staat je niet. En een student moet studeren. Niet bij nacht en ontij over straat lopen met zijn zakken vol met geld en weet ik veel wat nog meer. Het is crisis. Mensen die honger hebben, doen gekke dingen. Voor een paar rijksdaalders schoppen ze je uit het leven."
"Nooit zo over nagedacht, mijnheer. Bovendien heb ik het geld nodig."
"Zoals ik al zei: ik heb ander werk voor je."
Hij spoorde mij aan, om mijn tweede glas leeg te drinken en stak van wal. Zijn dochter was aan het vastlopen in de vierde klas van de HBS. Slim genoeg, maar ja, ze was op een leeftijd dat ze de kriebels kreeg. Jongens, zoenen, vrijen, afijn, ik begreep wel waar hij het over had. Ik begreep er niks van, groen als ik was, maar ik hield mijn gezicht in de plooi. Een kwartiertje later hadden we een deal. Op werkdagen van vier tot zes bijles geven. Een bankiersdochter die de HBS niet afmaakte, dat kon natuurlijk niet. Wat ze nodig had, was de leidende hand van een universitair geschoolde. Wiskunde, natuurkunde, scheikunde, dat waren de vakken waar ze ontspoorde. Hetzelfde loon als wat ik als koerier verdiende, iedere vrijdag uitbetaald. Als er repetities waren, ook 's avonds werken, uiteraard tegen extra vergoeding. Als ik zelf een pannetje meenam, kon ik avondeten mee naar huis nemen. Als er 's avonds werd gewerkt, kon ik in de keuken mee-eten met de dienstbode.
Zelfs als ik zijn aanbod had kunnen weigeren, had ik het niet gedaan. Inderdaad was het de laatste weken een paar keer voorgekomen, dat ik op straat wel erg nadrukkelijk werd nagekeken. We beklonken de deal met nog een laatste glas. In een gulle bui kreeg ik de halfvolle fles mee naar huis.
Op zo'n 300 meter van mijn huis werd me de weg versperd door een gestoppelde loser die wat wankel op zijn benen stond, maar wel een halve kop groter was dan ik. Hij moest mijn portemonnee hebben, en gauw. Normaalgesproken zou ik, trillend van angst, zijn bevel hebben opgevolgd, maar de drie kelkjes hadden me overmoedig gemaakt. Ik haalde de fles uit mijn jaszak, boog in één beweging mijn arm naar achteren en haalde uit. Zijn hoofd knalde dof tegen de muur en toen op de grond. De fles was niet eens gebroken. Ik keek om me heen. Niemand te bekennen. Het leek me maar het beste om gewoon door te lopen.
Thuisgekomen schonk ik mezelf nog éénmaal in en bracht een toost op mezelf uit.
Het was tijd voor een nieuwe stap in mijn carrière.
4.
Zo kwamen we dus met elkaar in contact. Ik zag de flits in je ogen wel. Afgekeurd bij de eerste blik. Niet dat ik anders verwacht had. Bij de meiden op de HBS had ik vijf jaar lang geen enkele kans gemaakt en op de universiteit was het al niet veel beter. Voor iemand met mijn karige fysieke kwaliteiten was hard werken en rijk worden de enige weg om ooit nog eens kans te maken om aan de vrouw te komen, had ik al vroeg uitgedokterd, met J. Paul Getty, Joseph P. Kennedy, Charlie Chaplin en Aristoteles Onassis als sprekende voorbeelden. Geld was macht. Zelfs de dochter van de koningin was nog aan de man gekomen.
Maar bij een bankiersdochter maakte ik me vooralsnog geen enkele illusie.
Voor mij was je 'u' en 'juffrouw Suzanne', en juffrouw Suzanne zou het blijven, anderhalf jaar lang. Na een stroef begin, begonnen de huiswerksessies soepeler te lopen toen de eerste successen werden gescoord. Je cijfers kropen langzaam uit het dal omhoog, de vieren en de vijven werden zeventjes, met zelfs een enkele acht voor scheikunde. In een overmoedige bui legde ik je eens wat geheimen van explosieven uit. Ik zag zowaar iets van interesse in je ogen. We hadden dus toch wat gemeen.
Een half jaar later was je vaders spookbeeld verjaagd. Je zou het jaar met succes afronden, maar het examenjaar kwam eraan. Je vader was uiterst tevreden met de resultaten, had me zelfs een riante opslag gegeven. Inmiddels had je me, tegen wil en dank, stukje bij beetje in een andere positie gemanoeuvreerd, die ik niet echt waardeerde, maar waaraan geen ontsnappen mogelijk was. Eindeloos moest ik, als was ik je persoonlijke eunuch-slaaf, van je aanhoren hoe de zoontjes van bankiers, verzekeraars en commissarissen in de rij voor je stonden. Hoe vaak vroeg je nota bene mijn raad niet, om je keuze te maken: een zoon uit de diamantenfamilie Asscher, of een telg uit de oprichters van de Nederlands-Indische Handelsbank, die fysiek heel wat meer in zijn mars had, maar ja... geen nazaat uit het uitverkoren volk van Abraham, wat des te pijnlijker werd, toen hij zijn zaad in je buik geplant had. Midden in de nacht nam ik je mee naar een obscure kliniek in een buitenwijk waar ze je, tegen een passende vergoeding, van je probleem afhielpen. Ik deed het uit loyaliteit aan je vader. Het zou hem zijn kop hebben gekost. En, tegen beter weten in, in de hoop op mijn beloning, waarvan ik alleen maar kon dromen, wat ik dan ook van harte deed, teruggetrokken in de naargeestige duisternis van mijn onderkomen, waar ik dan voor even het geluid van de tussen het plafond rondrennende ratten kon vergeten.
Ons contact stopte net zo abrupt als het begonnen was. De moffen hadden ons leger tot op het bot vernederd en Rotterdam met de grond gelijkgemaakt, maar de HBS-examens waren een maand later nog gewoon doorgegaan. Mijn diensten waren niet meer nodig. Of ik nog interesse had om mijn werk als koerier weer op te pakken, had je vader nog wel aangeboden, maar ik bedankte voor de eer. Het zou een lange oorlog worden, wist ik toen al, en er was belangrijker werk te doen. Via-via hoorde ik nog, dat je geslaagd was.
5.
Er waren er maar weinig die, in het eerste oorlogsjaar, de ernst van de situatie inzagen. Het leven leek voort te kabbelen, terwijl Reichskommissar Seyss-Inquart het volk sprookjes op de mouw spelde over een betere wereld, waarin Nederlanders en Duitsers, die zoveel gemeen hadden, als broeders en zusters zij aan zij zouden samenleven. Maar mijn HBS-reputatie had standgehouden. Destijds als de klassenidioot, maar dat veranderde abrupt, toen uiteindelijk was gebleken dat de Rat het allemaal nog niet zo slecht had gezien.
Ze kwamen bij me aan tafel zitten, toen de universiteitskantine langzaam leegliep. Een bleke slungel met holle ogen, net iets groter dan ik, maar beslist niet breder, en een al even bleke meid met een hoog voorhoofd, gitzwart haar en al even gitzwarte ogen. Ze zou mooi kunnen worden genoemd, als ze niet zo mager was geweest en de wallen onder haar ogen niet zo donker.
"Hé Rat, hoe is het met je?" Het kon niet missen. Een vroegere klasgenoot. Ik herkende hem pas, toen hij me een hint gaf. Zijn kortgeschoren haar was een perfecte vermomming.
"Krullenbol," hielp hij me op weg, zijn vroegere HBS-alias, waarmee zijn klasgenoten eer hadden betoond aan zijn piekerige, zeer vroeg kalende kop.
Ik had een clandestiene deelname aan een scheikunde-college gepland, maar liet het maar varen. Krullenbol was niet mijn beste HBS-vriend geweest, voor zover ik al vrienden had gehad, maar hij had me altijd getolereerd. Gerespecteerd zelfs, als een van de weinigen die niet in lachen was uitgebarsten, zelfs zijn duim had opgestoken, toen ik tijdens een spreekbeurt had betoogd dat het onschuldige hakenkruis eens het symbool zou worden van tirannie en genocide.
"Koffie?" hij wachtte het antwoord niet af, liep naar het buffet en kwam terug met drie koppen met wat op de universiteit voor koffie moest doorgaan. "Willie, hebben we nog wat lekkers voor de Rat?"
Het meisje viste een papieren zak uit de rechterzak van haar grijze mantel, scheurde hem open en beduidde me, me tegoed te doen aan één van de dubbele donkerbruine boterhammen. Ik besloot beleefd om een hapje mee te eten.
"Mijn zusje heeft wel wat majestueus, maar Wilhelmina bekt niet lekker," vervolgde Krullenbol met een mond vol brood, die hij vervolgens leegspoelde met een slok koffie. "Maar nu ter zake."
In het daaropvolgende uur wijdde Krullenbol me in in de wereld waarvan ik het bestaan alleen maar vaag had vermoed. De obscure wereld van het georganiseerde Verzet. Nederland werd te grabbel gegooid aan de Duitsers. En Jan met de Pet scheen het wel best te vinden, Rotterdam ten spijt. Seyss-Inquart kon mooie fabeltjes vertellen, maar hij was net zo'n gevaarlijke gek als zijn baas in Duitsland. Tien maanden lang werd nu al het volk een rad voor ogen gedraaid. Tien maanden waarin de Duitsers onze samenleving langzaam aan het uithollen waren. Waarin de voorbereidingen werden getroffen voor deportaties naar Duitsland. Er moesten wegen worden gebouwd, en oorlogstuig. En snel ook. En voor wie de opkomende Jodenvervolging nog steeds stug bleven ontkennen: ze moesten maar eens door het lijfboek van de Leider bladeren. En voor alle duidelijkheid: 'Mein Kampf' betekende niet 'Mijn kamp', hoewel het woord 'kamp' in de aankomende jaren nog een sinistere betekenis zou krijgen. 'Kampf' betekende 'strijd' en na het lezen van het boek was er weinig fantasie voor nodig om je voor te stellen, wat de consequenties voor de joden zouden zijn.
Afgelopen februari was, zo goed en zo kwaad, het land een paar dagen stilgelegd. Overheid, openbaar vervoer, fabrieken, alles moest plat. En dat zou nog maar het begin zijn. De werkelijkheid was, dat het maar een zielig plaagstootje was geweest. Het kleine ongemak van die paar dagen staking had vooral de Nederlanders zelf getroffen. Maar het was een begin geweest. Het was oorlog, al deden velen hun best om dat maar niet te geloven. En als de regering zich in de luren liet leggen, dan moest het Verzet het vuile werk maar opknappen. Ondergronds, als het moest.
Van vorige oorlogen hadden we tenminste nog iets geleerd. Sabotage was het toverwoord. Dijken doorsteken had geen zin meer. Vliegtuigen trokken zich nu eenmaal weinig aan van hoogwater. Maar er waren andere manieren genoeg.
Er waren handjes nodig, en vooral hersens, met verstand van elektriciteit. En van explosieven. Of, beter nog: elektriciteit én explosieven.
Krullenbol pauzeerde even voor het effect. Willie spoelde haar laatste stuk brood weg met een slok koude koffie. Ze had al die tijd nog geen woord gezegd. Toen haalde Krullenbol diep adem en boorde zijn ogen recht in de mijne.
"We hebben je nodig, Rat..."
6.
De helle, allesverblindende lichtflits kwam een halve seconde eerder dan de schokgolf en de demonische knal van de explosie.
De eerste ontploffing verliep zoals verwacht, al sloegen de scherven van de uitgeblazen ruiten gevaarlijk dichtbij ons in. We wilden ons net achteruitkruipend uit de voeten maken, toen een tweede ontploffing de hel pas echt deed losbarsten. Verblind door de helse intens-witte lichtflits raakte ik mijn verstand en mijn oriëntatie kwijt, ging rechtop staan, om meteen weer in de droge greppel tegen de grond te worden gekwakt door de schokgolf die mijn lijf raakte als een mokerslag. Ik opende nogmaals mijn ogen, maar zag alleen maar witte bollen tegen een gitzwarte achtergrond. Alles wat ik kon horen, was een doordringende fluittoon in mijn oren. In pure paniek kroop ik weer overeind, maar Willie vloerde me met een tackle en hield me tegen de bodem van de greppel gedrukt. We moeten daar minutenlang gelegen hebben, mijn gezicht tegen de grond gedrukt, mijn tanden knarsend op een muffe hap vochtige aarde die ik tegen wil en dank had binnengekregen. Toen sjorde Willie me op mijn rug en begon me links en rechts op mijn wangen te slaan. Langzaam opende ik mijn stijf dichtgeknepen ogen. Mijn zicht kwam langzaam terug. Vermengd met de witte vlekken zag ik het silhouet van Willie. Ze zat op haar knieën naast me, schreeuwde iets wat ik, door het gefluit in mijn oren, niet kon verstaan, wees het bos in en begon als een bezetene aan me te trekken. De boodschap was duidelijk. Wegwezen, en gauw!
Achteraf had ik wel tien beginnersfouten kunnen noemen. Mijn boekenwijsheid uit de spelonken van mijn studeerkamer werd me bij mijn eerste operatie bijna fataal. We hadden alleen de voertuigen in het gebouw willen opblazen. De loods zelf zou dan vanzelf wel afbranden. Geen slachtoffers, want dat zou tot genadeloze represailles leiden, zo hadden velen na bijna twee jaar oorlog al pijnlijk ondervonden. En in het donker van de maanloze nacht zouden we genoeg tijd hebben om ongezien weg te komen.
Op zich was het niet eens zo dom geweest om de dekking van de droge greppel te kiezen, 150 meter van de loods vandaan. Als alles volgens plan was gegaan. Maar de kracht van de springstof had ik gigantisch onderschat. Ik was ook niet zuinig met de explosieven geweest. Mijn eerste missie had niet mogen mislukken. Toch had ik beter mijn huiswerk moeten doen. Ik had kunnen verwachten, dat er in de loods een flinke hoeveelheid munitie lag opgeslagen, en waarschijnlijk ook de nodige vaten brandstof. Nog een geluk dat mijn zicht en mijn gehoor vrij snel terug waren gekomen.
Mijn grootste fout was mijn blinde paniek geweest. Gelukkig was Willie bij me geweest. "Sorry," had ze later nog gezegd, terwijl ze een glassplinter uit mijn bovenarm had getrokken en een drukverband aanlegde dat ze uit een van de talloze zakken van haar lange jas had opgevist. "Van die tackle en die meppen op je gezicht, " had ze eraan toegevoegd, toen ik haar vragend had aangestaard. Het was een van de zeldzame keren geweest, dat ze meer dan vijf woorden had gesproken. Daarna waren we ieder onze eigen weg gegaan. Veiligheid boven alles. Ik, via een wijde omweg, naar mijn duistere onderkomen. Willie naar wie weet waarheen. Nooit heb ik geweten, waar ze zich al die jaren heeft verscholen. Maar ook dat was veiligheidsprotocol. Net als de cyanidepillen die we allemaal op zak hadden. Mochten we ooit worden opgepakt, dan was er maar één uitweg.
7.
Ondanks de knullige blunders bij mijn eerste operatie had ik naam gemaakt. Het succesje werd in ons kleine ondergrondse kringetje met een bescheiden glaasje illegale jenever gevierd. Krullenbol, zijn zus Willie, graatmagere Jumbo, de boomlange Noorman, de Havik met zijn gelijknamige neus, en een stuk of wat anderen, allemaal met min of meer toepasselijke aliassen. Daarna gingen we weer uit elkaar, om op te lossen in de nacht. Voorzichtigheid troef. Nog maar twee maanden geleden was een groep van vijftien opgepakt en standrechtelijk geëxecuteerd, waaronder een van de kopstukken van het Verzet. Pas veel later hoorde ik over de verschrikkelijke folteringen die hij had moeten ondergaan. De Duitsers hadden alles uit de kast gehaald om zijn echte naam uit hem te persen. Pas nadat ze hem eindelijk zijn verlossende genadeschot hadden gegeven, was het hun duidelijk geworden dat hij nooit een alias had gebruikt. IJzerdraat was zijn echte naam geweest.
Langzaamaan werden de acties gedurfder. Elektriciteitsstations opblazen, fabrieken, colonnes. We dachten zelfs aan jachtvliegtuigen van de moffen, die op Gilze-Rijen aan de grond stonden, maar zover kwam het vooralsnog niet. Niet in de laatste plaats omdat er een ander spookbeeld opdook.
De jodenval was dichtgeklapt. Twee jaar lang hadden de Duitsers de verblijfplaatsen van joodse families gründlich in kaart gebracht, hierbij uitstekend geholpen door de Nederlandse overheid, die zonder veel gesputter volledige inzage gaf in de minutieus bijgehouden bevolkingsadministratie. De volgende stap was nog maar een kwestie van tijd.
De deportaties begonnen in juli. Het duurde even, voordat het doordrong dat kamp Westerbork alleen maar een doorgangskamp was. Een tussenstation, waar de Untermenschen werden geregistreerd en werden ontdaan van hun laatste bezittingen. Intussen hadden de moffen mijn vroegere werkgever, Lippmann, Rosenthal & Co, onder hun bewind genomen en hadden notabene een filiaal geopend in kamp Westerbork. De Jodenbank werd verantwoordelijk voor het 'beheer' van alle joodse eigendommen. Bezittingen van omgekomenen vervielen aan de Staat. De Duitse Staat, voor alle duidelijkheid. De verschrikkingen van de grootste genocide in de geschiedenis waren nog maar net begonnen.
We verlegden ons accent naar het hulp bieden aan joden. Onderduiken. Valse persoonsbewijzen. Ontsnappingen voor als de grond te heet onder de voeten werd. Kinderen onderbrengen bij pleeggezinnen. Valse geboorteakten. Met het opblazen van spoorlijnen waren we meteen gestopt, nadat die godvergeten moffen hadden teruggeslagen en de brand hadden geblazen in een spoorwagon vol met joden. Zo kregen ze zelfs het Verzet tijdelijk op de knieën, maar haat is een sterke aanjager van wraak. Nadat ik het spoorwegemplacement had opgeblazen en vanuit de verte had moeten toekijken, aanhoren en ruiken hoe een spoorwagon in een oogwenk werd omgezet in een bakoven, had ik voor altijd afscheid van God genomen en had ik beseft, dat we er alleen voorstonden.
De koninklijke familie en God waren er vandoor, het leger was een lachertje. Ambtenaren, Nederlandse bedrijven en duizenden burgers verleenden hand en spandiensten aan de moffen en het Joodse volk stond voor de zoveelste maal in de geschiedenis op het punt om uitgeroeid te worden. Alleen waren ze er deze keer wel heel erg dichtbij.
Het zou een lange, gruwelijke oorlog worden.
8.
Wie in het Verzet zat, leidde een leven van altijd op je hoede zijn, constant over je schouder kijken, iedereen bij voorbaat te wantrouwen en, dat was misschien nog wel het zwaarste, altijd licht te slapen. We leefden in een ritme waarin dag en nacht vaak waren omgedraaid. Als nachtuilen bereidden we onze operaties voor en voerden ze uit, bij voorkeur tijdens maanloze nachten. Regen was nog beter. Zelfs de fanatiekste moffenpatrouilles liepen dan de kantjes eraf.
Thuis leefde en sliep ik op de bovenverdieping, behalve dan om te koken en voor sanitaire behoeften. Aan het fornuis had ik een provisorische vlammenwerper gekoppeld. Het trapgat naar boven hing vol met booby traps. Als het ooit nodig zou zijn, had ik nog een vluchtweg via de daken van de buren.
Het macabere aan alles was, dat het wende. En meer dan dat. Van kind af aan had ik in de schaduw van het echte leven geleefd. Thuis de pispaal van mijn vader, op de lagere school een schichtige muis die dan wel aardig kon leren, maar met sport altijd als laatste aan een team werd toegewezen, als er niks meer te kiezen viel, en constant moeite moest doen om tussen de treiterijen door te laveren. Op de HBS en de universiteit was het echte leven aan me voorbijgegaan en haalde ik inspiratie uit mijn studieboeken, in de hoop dat later alles beter werd.
Het 'later' en 'beter' was eindelijk aangebroken. Eindelijk was ik iemand. Iemand die meebesliste als er een operatie ophanden was. Die klussen klaarde waar de anderen geen verstand van hadden. Die het Verzet voorzag van eigenhandig gefabriceerde radiozenders en die het ondergrondse patent had op op afstand bedienbare grove explosieven. Die, in de euforie van een geslaagde operatie, samen met zijn verzetsgenoten een borrel dronk om de goede afloop te vieren.
Ik was me maar al te bewust van de ironie van de oorlog. Miljoenen zouden hun leven verliezen. Het mijne was eindelijk begonnen.
De klop op de deur zette me binnen drie tellen op scherp. Slapen deed ik met kleren aan, voor het geval ik er ooit via de daken vandoor zou moeten. Op de tast sloop ik naar het raam aan de straatkant, draaide aan de schakelaar van de als bloempot gecamoufleerde clandestiene buitenlamp bij de deur en tuurde door het gat in het gordijn naar het spiegeltje, dat ik aan de buitenkant van het kozijn had gemonteerd en me zo in staat stelde, 'om een hoekje' naar beneden te kijken. Het kostte me zo'n tien seconden om de schok te boven te komen, waanzinnig lang voor een verzetsstrijder. Maar dit was een bijzonder geval, hield ik mezelf voor. Ik schakelde de booby traps uit en liep de trap af, richting voordeur.
Ik ontgrendelde de voordeur, trok je aan je doorweekte visgraatjas naar binnen, keek voor de zekerheid links en rechts naar buiten, maar niemand anders waagde zich bij nacht en ontij in dit hondenweer op straat. Ik ramde de grendels weer in het slot. Op de tast liep ik naar de keukentafel, ontstak de rokerige petroleumlamp en gebaarde je me te volgen naar boven en aan mijn wankele werktafel te gaan zitten. Koffiezetten was wel het minste wat ik kon doen, voordat ik je de straat weer op zou moeten sturen, zolang het nog donker was. Maar het liep allemaal anders. Hooguit een halfuur had je nodig, om je verhaal te vertellen. Het zou mijn leven, ons leven, voorgoed veranderen.
Net na het avondeten had een groep van vier Duitsers in Wehrmacht-uniform op de deur geklopt. Dürfen wir reinkommen? was geen vraag geweest. Ze hadden de dienstbode totaal overrompeld en waren meteen maar doorgelopen naar de studeerkamer, waar Pap aan zijn welverdiende cognacje zat, na een drukke dag zakendoen. De moffen hadden de deur opengelaten en hadden hun stemniveau op zijn Duits gehouden. Met je HBS-Duits was het gesprek goed te volgen geweest. Herr und Frau Rosenthal zouden nog diezelfde avond naar Westerbork worden gereden, waar Herr Direktor persoonlijk de leiding zou krijgen over het gloednieuwe bijkantoor van Lippmann, Rosenthal und Partner. En natuurlijk mocht Fraülein Suzanne ook meekomen. Voor een passend onderkomen zou worden gezorgd.
"Maak dat je wegkomt," had Pap je op het hart gedrukt, nadat het kwartet moffen zich had teruggetrokken, met de mededeling om in zwei Stunden wiederzukommen. Mijn adres had nog ergens diep in zijn bureaulade gelegen, een behoorlijk risico, maar hij had het vodje met de punt van zijn sigaar tot as verpulverd, zoals hij ook de tegenwoordigheid van geest had gehad om te zorgen dat je je bankiersdochterskleding had verruild voor een zwarte Manchester broek, een al even zwarte grof wollen trui, en dus de tweedjas met visgraatmotief. Het stond je niet eens slecht, maar ja, zelfs een juten zak had je nog goed gestaan.
Die nacht bleef je, om niet meer weg te gaan. In mijn krakkemikkige ledikant gebruikte je me om je lijf, dat stijf stond van de adrenaline, rustig te krijgen. De volgende ochtend waren de beurse plekken, de striemen op mijn borst en de vage kramp ergens diep in mijn onderlijf de pijnlijke, zoete getuigen. Ik had het niet gedroomd. Eindelijk was het er dan toch van gekomen, waar ik zo'n tien jaar lang alleen maar over had gefantaseerd.
Het feit dat ik nu een joodse onderduikster in huis had, was even van later zorg.
9.
Krullenbol en de anderen waren in het begin, op z'n zachtst uitgedrukt, niet blij geweest met mijn nieuwe huisgenote. Een bankiersdochter, die natuurlijk van toeten noch blazen wist van het echte leven, waarschijnlijk nog niet droog was achter haar oren. Een jodin, nog wel. Kon het nog gevaarlijker?
De pijn was enigszins verzacht doordat Pap je een riante stapel bankbiljetten uit zijn kluis had meegegeven en je behoorlijk scheutig was om het Verzet mee te laten delen. Explosieven kostten geld en natuurlijk moest er ook nog gewoon gegeten worden. Je ster was verder gerezen, toen je je na een paar weken had ontpopt als een waardevolle secondant bij het maken van explosieven. Tijdens de sabotage van een brug, een maand of twee later, was Willie door de schokgolf van de explosie de rivier ingeblazen. Met gevaar voor eigen leven was je haar nagedoken, had je haar op de kant gekregen en haar weer leven ingeblazen. Niemand had meer aan je getwijfeld.
We regelden een verzetsgarderobe voor je. Je haar werd een paar tinten lichter geverfd. Voor een andere identiteitskaart hadden we onze mannetjes. Het accent van een bankiersdochter ruilde je snel in voor de scherpe 'r' en 'g' en je handen leken in niets meer op je gemanicuurde high society handjes van een paar maanden geleden. Bovendien ontplooide je je tot een natuurtalent in het maken van explosieven en bij operaties was je voor de duvel niet bang. Je leefde op pure adrenaline, wat dan 's nachts in de duisternis van onze krappe bovenverdieping moest worden afgereageerd.
Twee jaar lang leefden we bij de dag en de nacht, wetende dat het oorlog was, dat alles iedere dag abrupt voorbij kon zijn. Twee jaar waarin we, met Krullenbol, Willie, Jumbo, de Noorman en een tiental anderen, operaties uitvoerden waarbij we steeds meer lef kregen en ons opgezette onderduikingsnetwerk verder uitbreidden. Waarin we leefden van de euforie van geslaagde aanslagen en van succesvolle onderduikoperaties en voedseltransporten.
Maar waarin we ook bikkelharde tegenslagen te verwerken kregen. Onderduikers die werden opgespoord en abgeführt, soms met tientallen tegelijk. Willekeurig opgepakte slachtoffers die standrechtelijk werden geëxecuteerd. Op een nacht hadden we machteloos moeten toezien hoe de Havik, vanuit het niets omsingeld door een onverwachte moffenpatrouille, zijn pistool had getrokken en zich een kogel door zijn kop had gejaagd, om zichzelf zijn helse dilemma te besparen: van binnenuit verbranden door zijn cyanidepil, of doodgemarteld worden door de moffen.
Twee jaar, waarin we soms 's nachts, in de beschutting van ons bed met de doorgelegen matras en de gerafelde dekens, als we eens niet vrijden, of na het vrijen, filosofeerden over de uitzichtloosheid van de oorlog. Over je ouders die, toen je vaders diensten niet meer nodig waren geweest in filiaal Westerbork van de Jüdenbank, uiteindelijk op transport naar Sobibor waren gezet waar je vader met zijn zware diabetes en je moeder met haar zwakke hart ten dode waren opgeschreven. Over de Geallieerden, die dan wel hun uiterste best deden, maar vooralsnog tegen de Duitse Atlantikwall weinig kans hadden. Over onze ruzie met enkele andere verzetsgroepen, omdat we het vertikten om ons leven te wagen aan de steun aan Engelandvaarders. Als de koningin zo nodig moest regeren, dan kwam ze dat maar hier doen. Tenslotte vloog haar schoonzoon regelmatig naar bezet gebied, om zich met zijn maîtresse te vermaken, dus zo onveilig was het kennelijk ook weer niet.
"Het mag van mij nog jaren duren," fluisterde je een keer in de duisternis. Ik kon je niet zien, kon alleen de warmte van je lichaam tegen het mijne voelen. "Eindelijk heb ik het gevoel dat ik leef. Het HBS-trutje is geen corpsbabe geworden. Wat zou evengoed het nut zijn geweest, als je toch al bent voorbestemd om baby's te baren voor weer een andere bankier, weer een andere geldwolf? Nee... we zien het nu. Geld is niks meer waard. De moffen roven het land leeg. Het gaat een lange winter worden. Heel erg voor alle anderen. Kinderen, zieken, ouderen vooral. Maar ik... eindelijk ben ik iemand."
Nog nooit had ik me zo verbonden gevoeld met iemand. Ik wilde de tijd stilzetten, het mooiste moment van mijn leven nooit meer loslaten.
"Kom bij me, zolang het nog kan," fluisterde je, terwijl je me bovenop je trok.
10.
De Geallieerden waren uiteindelijk door de Atlantikwall gebroken. Het zuiden van Nederland was bevrijd, maar je kreeg gelijk. Voor de rest van het land werd het een lange winter.
Half december viel de bijtende kou in. De ironie van een witte kerst, in een land leeggeroofd door de moffen, die dondersgoed wisten dat ze feitelijk al verloren hadden, maar nog een laatste doodssteek wilde uitdelen aan de creperende bevolking, met een barbaars schrikbewind waarmee ze het moreel in hun laatste stuk bezet gebied tot de grond wilden afbreken.
De kou en de honger werden in januari nog erger. Mensen crepeerden bij bosjes, nadat ze tevergeefs hadden geprobeerd om te overleven op aardappelschillen, bloembollen en suikerbieten. Het einde van de oorlog was zo dichtbij, maar duizenden verloren de strijd tegen de ontberingen van die laatste winter. Die laatste winter, waarin we een joods weesmeisje van amper twee jaar oud in huis namen. Achtergelaten op een zolderkamertje, terwijl haar ouders door de moffen naar buiten waren gesleurd en, samen met een stuk of tien anderen, in de straat standrechtelijk waren geëxecuteerd. Nadat het godvergeten SS-tuig was vertrokken, de lijken als oud vuil op straat achterlatend, hoorde je gehuil vanuit het bovenhuis. Je besluit stond vast.
We noemden haar Hannah, Hebreeuws voor 'genade'. Ondanks de horror van de hongerwinter zag ik je opbloeien. Een biologisch kind zouden we nooit krijgen, anders was je tijdens de afgelopen jaren allang zwanger geraakt. Nooit spraken we erover, maar we wisten het allebei. Misschien was er iets misgegaan in die obscure kliniek, net voordat de oorlog uitbrak. Misschien lag het wel aan mij. Maar wat deed het ertoe? We zouden Hannah de kansen geven, die haar ouders niet gehad hadden. In een wereld, waarin de oorlog snel voorbij zou zijn.
Maar de oorlog was nog niet voorbij. En de horrorwinter kroop voort, met temperaturen ver onder de min 10, in een stad waar zelfs bloembollen een zeldzame traktatie waren geworden. Toen ik op een avond thuiskwam, was je in de keuken bezig om een gevangen kat te villen. "Hannah moet eten," fluisterde je als een mantra op het ritme waarmee je met het hakmes de afgestroopte kat in stukken hakte. Urenlang sudderde je het vlees op het petroleumstel, wetend dat we ieder moment door onze voorraad petroleum heen konden raken. Onze honger won het van onze weerzin, maar Hannah wilde niet eten. Niet meer.
De volgende ochtend wikkelden we haar in een laken. Alles wat we verder nog hadden om haar in te begraven, was een oude weekendtas. In alle vroegte liepen we de stad door, het risico dat we zouden worden aangehouden hardnekkig negerend. Bij de waterkant aangekomen, lukte het me om een wak te slaan in het ijs. Na nog een laatste blik in de weekendtas, verzwaarde ik de tas met een straatklinker en trok de ritssluiting dicht. Behoedzaam lieten we de tas in het wak glijden. Het was de eerste keer, dat ik je zag huilen. En de laatste keer.
Het voorjaar deed vroege pogingen om door te breken. Het zachte februariweer vormde een scherp contrast met ons verdriet. De mensen buiten fleurden op. Ja, ze leden nog honger, maar het voorjaar kwam eraan. En het einde van de oorlog.
Bij ons heerste de duisternis van het verdriet om Hannah. Drie weken hadden we mogen proeven van het geluk om een kind te redden van de verschrikking van de vijand, het bij ons op te nemen als ons eigen kind, haar een toekomst te beloven in een oorlogsvrije wereld. Het noodlot had anders beslist.
De laatste maanden van de oorlog zag ik je veranderen. Je felheid verbleekte. Het Verzet liet je koud. Wat viel er nog te verzetten? De oorlog liep op zijn eind. Je enthousiasme veranderde in apathie. Apathie tegenover de vijand, de verschrikkingen van de concentratiekampen, de laatste stuiptrekkingen van de meedogenloze bezetting.
Apathie tegenover mij.
Op een warme, zonnige middag in april kwam ik thuis. Ik had een pond rundvlees en zes aardappelen weten te scoren. Lekker weer voor een uurtje naar buiten met zijn tweeën, dacht ik nog. En daarna een feestmaal, vastbesloten als ik was om je zinnen te verzetten, je heel even je depressie te laten vergeten.
Ik ga bij je weg, stond er op het briefje op de keukentafel.
Je hebt je best gedaan. Bedankt voor alles. Sorry.
De keuken en de bovenverdieping waren opgeruimd. Je kleren waren weg. Het bed was opgemaakt, nog steeds met dezelfde sprei die ik, toen ik hier was ingetrokken, vanuit het huis van mijn ouders had meegenomen. Ieder spoor van je was uitgewist. Alles was hetzelfde als drie jaar geleden. De stilte. De donkere naargeestigheid.
Alsof je hier nooit geweest was.
11.
Op één van de door de straat denderende tanks zie ik je zitten, samen met nog wat andere meiden, een groene baret scheef op je hoofd, omringd door een stelletje hitsige geallieerden, die haast niet kunnen wachten op wat ze straks allemaal met jullie gaan uitspoken, als de rit voorbij is. Aan je lippen en je kaken te zien, heb je zelfs het lef om uit volle borst ‘Oranje boven’ mee te zingen. ‘Leve de koningin.’ Hoe diep heb je kunnen zinken.
Je kijkt niet op of om, als de tank mijn huis voorbijrijdt. Mijn huis, dat drie jaar lang ons huis was.
Ik weet het. Macht is onweerstaanbaar. Vijf jaar lang heb ik er wat van mogen proeven. Vijf jaar lang, waarin ik iets betekende, waarin ik iemand was.
Maar de oorlog is voorbij. En ik ben terug bij af. Een onbetekenend natuurkundestudentje, klein van stuk, broodmager met een kippenborst, lijkbleek, sprieterige vlaskleurige haren en een bril met glazen zo dik als de bodem van een jampot. En het helpt ook niet, dat ik een beetje mank loop, een souvenir van een granaatscherf, opgelopen toen mijn leven nog zin had.
De mensen willen de oorlog vergeten, dus het Verzet vergeten ze ook, het liefst zo snel mogelijk. Dank u wel, mannen en meiden van het verzet, maar het is afgelopen. Uw diensten zijn niet langer nodig. Veel geluk nog, de rest van uw leven.
Ik heb er geen zin meer in. Vijf jaar lang heb ik geproefd van het echte leven en ik vertik het, om terug naar af te gaan, naar de zinloosheid van het vegeteren in de schaduw. Laat me die vijf mooie jaren nu maar gewoon met me meenemen. Mijn taak hier is volbracht. Ik kap ermee. Ik neem ontslag uit deze door en door verziekte wereld. We hebben een prachtige tijd gehad samen, maar na deze brief zal ik mijn herinneringen aan je meenemen, de vergetelheid in.
Veel geluk met je Amerikaan, of met je Canadees, ik kan het zo vanachter mijn smerige raam niet goed zien of er, bovenop die tank, een Yank of een Canuck met zijn handen onder je bloes zit. Laat hem wel eerst met je trouwen. En ga dan met hem mee. Nederland is een mooi land, tenminste als je de eerste 10, 20 jaar genoegen neemt met een idyllisch bestaan in een gehorige, vochtige bovenwoning, waar je je aan de keukenkraan met stinkend rivierwater kunt wassen en je je kinderen kunt leren schrijven in het roet van de kolenkachel dat neerslaat op het behang. En die 9 miljoen mensen op een kluitje Nederland zijn er over 20 jaar 12 miljoen geworden. En vóór het einde van de eeuw 15 miljoen.
Mocht je toch in Nederland blijven, wen er dan maar aan, maar ook daar zul je weinig moeite mee hebben: binnen een jaar of tien wordt er weer gewoon handel met de moffen gedreven, alsof ze hier nooit de beest hebben uitgehangen. 's Zomers zal er op Scheveningen en op Zandvoort weer Duits worden gesproken. Alsof ze Rotterdam nooit hebben platgebombardeerd en die vervloekte concentratiekampen nooit hebben bestaan. Alsof die tienduizenden joden nooit uit Nederland zijn gedeporteerd naar hun godvergeten gaskamers.
Met die Jodenvervolging zal het trouwens nooit echt ophouden. Begin volgende eeuw zijn de meesten die de oorlog bewust hebben meegemaakt wel overleden. En met hen is dan de laatste echte rem op antisemitisme begraven, en is het nog maar een kwestie van tijd voordat je kleinkinderen getuige zullen zijn van een nieuwe Kristallnacht.
Het koningshuis zal het nog lang volhouden, al zal Wilhelmina’s dochter het zwaar krijgen, niet in het minst met die Duitse golddigger van haar. Maar mensen zien wat ze willen zien. Het geloof in het Oranjesprookje is ijzersterk.
Over geloof gesproken: het eeuwige gepolariseer tussen katholieken en protestanten lost zich vanzelf wel op. Intussen zullen de grenzen opengaan voor immigranten, die hun eigen geloof meebrengen. Een jaar of tien nog, en dan zullen ze beginnen met het bouwen van hun eigen kerken, van waaruit vijf keer per dag de gebedsoproep gelijkop zal klinken met de luidende klokken van onze eigen kerken. Kerken, die aan het einde van de eeuw vrijwel leeg zullen staan.
Ik heb voor de gelegenheid mijn zondagse pak van vroeger aangetrokken. Mijn ouders zouden trots op me zijn, afgezien dan van de omstandigheden. Ik heb het huis aan kant gemaakt, het petroleumvlammetje uitgedraaid en de vuilnisbak buitengezet. Laat ik nu maar stoppen. Boven zal ik mijn laatste drankje innemen en op bed gaan liggen, de brief op het nachtkastje leggen, en dan langzaam wegglijden.
Het is mooi geweest.
12.
De afgelopen weken zag ik je het ongeluk inglijden. De ironie van het lot. De hongerwinter was verdreven door het voorjaar, de oorlog bijna afgelopen. Een toekomst in zicht in een vrij Nederland, waar het rood-wit-blauw weer zal waaien in de westenwind. Waar de appelbloesems, de tulpenvelden, Scheveningen en Zandvoort weer zullen stralen in de zon. Waar we met zijn allen ons land weer zullen opbouwen als nooit tevoren. Maar jij, mijn liefste, je gleed de duisternis in, steeds verder.
Ik hield van je, vier jaar lang. Ik hield zoveel van je, dat het pijn deed. En ineens was daar die bankiersdochter, die godvergeten rot-snol, die zich in je leven drong. Maar wat kon ik? Ze bracht genoeg poen mee om onze verzetsgroep maandenlang draaiende te houden. Ze heeft me zelfs een keer het leven gered. Ironischer kon het niet.
Zwijgen was het enige wat me restte. Niemand zou naar me luisteren. Wie luistert er nou naar een autist? Nee, ik moest zwijgen en wachten. Eens zou die sloerie bij je weglopen. Ik zou wachten, al zou het tot het einde van de oorlog zijn.
Vandaag moest ik je zien. Ik wist, dat je de uitzinnige feestvreugde niet zou verdragen, dat je je zou opsluiten in de duistere spelonken van de eenzaamheid in je eigen huis. Van de laatste voedseldropping had ik nog een heel brood. Ik bakte de twee overgebleven eieren. Hoeveel hield je niet van gebakken eieren? Ik propte alles, met nog wat appels, in mijn tas en ging op weg, me een weg banend door de uitgelaten menigte, het verachtelijke lawaai van de trompetten, de trommels en het ‘Leve de koningin’ zo goed en zo kwaad mogelijk negerend.
Ik klopte op de deur. Nog eens. En nog eens. Ongerust geworden, rammelde en draaide ik aan de deurknop. Tot mijn stomme verbazing ging de deur gewoon open. Er was iets goed mis. Ik sloot de deur achter me en liep behoedzaam naar de trap. Van een afstandje gooide ik mijn tas op de trap, maar er gebeurde niets. De booby-traps waren uitgeschakeld. Voorzichtig liep ik naar boven.
De manier waarop je op je bed lag, je glas en de enveloppe op het provisorische nachtkastje, doordrongen me van de werkelijkheid. Je gezicht was blauw aangelopen, maar je wangen voelden nog warm aan. Was ik maar een halfuur eerder geweest. Had ik maar…
Een half uur zit ik nu naast je op je bed, mijn liefste. Ik houd je hand vast, maar ik weet dat ik niet kan tegenhouden dat je handen langzaam koud zullen worden. Mijn tranen zijn eindelijk gekomen. Vandaag mag ik, na vijf jaar oorlog, huilen. Heel eventjes maar. Straks ga ik de anderen halen. Krullenbol, Jumbo en de Noorman. We zullen je een mooie begrafenis geven. Ik zal je graf netjes houden, zodat je toch nog bij ons blijft. We zullen je herinnering in leven houden. De herinnering, dat onze strijd van de afgelopen jaren niet voor niets is geweest. De wetenschap, dat je nu de rust hebt waarnaar je zo hebt verlangd.
Ik zal je herinnering voor altijd bij me dragen, mijn liefste…
… zolang ik leef.