Eerste, derde of andere persoon? Wat schrijft het lekkerst?

Inleiding

We kunnen een verhaal schrijven in verschillende vertelsituaties. Het meest bekend zijn de eerste persoon (de ‘ik’-vorm) en de derde persoon (de ‘hij/zij’-vorm), maar ook andere vertelsituaties (‘vormen’) zijn mogelijk. Alle vormen hebben hun voordelen en hun beperkingen.

In dit artikel beschrijf ik vooral de vertelsituaties vanuit de eerste en de derde persoon. Wat schrijft het lekkerst, of juist niet, in gegeven situaties? Voor het omzetten tussen de eerste en de derde persoon geef ik een voorbeeldje. Verder ga ik kort in op andere, minder voorkomende, vertelsituaties.  

Eerste persoon

Mijn eerste verhalen schreef ik altijd in de eerste persoon. Ik schreef als ‘ik’. Daarvoor had ik goede redenen. Ik was net begonnen, het schrijven ging nog wat stroef, en ik begon daadwerkelijk met verhalen over mezelf, wat gewoon het lekkerst schreef in de ‘ik’-vorm. Het gaf me houvast, ik dook als het ware ‘in mezelf’ en op die manieren rolden mijn eerste verhalen er als het ware vanzelf uit.

De sterke betrokkenheid als schrijver bij het verhaal kan heel goed overslaan naar de lezer. En dat is meteen een groot voordeel van schrijven in de ‘ik’-vorm: het is een natuurlijke manier om de lezer sterker bij het verhaal te betrekken. Bij het lezen van een ‘ik’-verhaal kun je als lezer als het ware in de huid van de ‘ik’-persoon kruipen en daardoor het verhaal zelf meemaken, alsof je er middenin zit. Dit geldt vooral als de ‘ik’-persoon de hoofdpersoon is, zoals meestal (maar niet altijd!) het geval is.  

Schrijven als ‘ik’ heeft ook zijn beperkingen.

Allereerst kan het bij de lezer ongewenste associaties opwekken. De lezer zou kunnen denken dat het verhaal volledig autobiografisch is, terwijl dit in werkelijkheid misschien niet zo is, of in ieder geval niet de bedoeling. Zelfs als het verhaal (gedeeltelijk) autobiografisch is, dan kan de schrijver redenen hebben om dit te verbloemen, bijvoorbeeld om zichzelf niet helemaal bloot te geven, of om al te herkenbare situaties met familie of bekenden te voorkomen. Dit kan zelfs een reden zijn om een oorspronkelijk ‘ik’-verhaal om te zetten naar een verhaal in (meestal) de derde persoon.

Een verhaal in de ‘ik’-vorm heeft ook beperkingen, inherent aan het ‘ik’-perspectief. Als dit perspectief consequent wordt doorgevoerd in het verhaal, blijven de waarnemingen ook beperkt tot ‘ik’. Als ‘ik’ bijvoorbeeld iemand voor het eerst ontmoet, kan ik op dat moment niet beschrijven hoe deze persoon over mij denkt. ‘Ik’ kan immers geen gedachten lezen (tenzij ik fictie beschrijf, waarin bovennatuurlijke krachten worden geïntroduceerd). Er zijn wel oplossingen om hieromheen te werken, als dat nodig zou zijn. De ‘ik’-persoon zou bijvoorbeeld informatie van iemand anders hebben, bijvoorbeeld: “Deze persoon is al maanden verliefd op je.” Een andere oplossing kan worden gekozen in de vorm van: “Pas veel later zou blijken dat deze persoon…” In dat geval wijken we wel af van de chronologie. Hierover hoop ik te zijner tijd nog eens een artikel te schrijven.

De derde beperking die ik hier wil noemen, wordt relevant als de ‘ik’-persoon komt te overlijden. Gemakshalve beperken we ons tot ‘overlijden aan het einde van het verhaal’. De meningen zijn verdeeld. Zelf meen ik, dat dit in ‘ik’-verhalen zonder bovennatuurlijke fictie maar zeer beperkt mogelijk is. De ‘ik’-persoon kan bijvoorbeeld niet worden doodgeschoten en dan nog snel even het verhaal afschrijven. Een langzame dood zou in theorie mogelijk zijn, waarbij de schrijver nog ‘schrijft’, of bijvoorbeeld dicteert, totdat de dood intreedt, maar dan nog kan de dood zelf niet worden beschreven. Sommige schrijvers hebben dit opgelost door een soort epiloog te schrijven vanuit het perspectief van een ander, maar dan wordt hiermee dus het principe van de ‘ik’-persoon losgelaten.

Ondanks een aantal inherente beperkingen schrijf ik zelf heel graag in de ‘ik’-vorm.

Derde persoon: twee hoofdvarianten

Bij het schrijven in de derde persoon volg ik twee hoofdvarianten die door veel auteurs en literatuurdeskundigen ook worden aangehouden. Deze hoofdvarianten zijn de personale en de auctoriale vertelsituatie (waarbij de vertelsituatie niet moet worden verward met het vertelperspectief).

Derde persoon: personale vorm

Bij het schrijven in de zuivere personale vorm (vertelsituatie) wordt het verhaal verteld door de ogen (het perspectief) van één persoon. De lezer zit als het ware ‘in het hoofd’ van die ene persoon en beleeft het verhaal als zodanig, met die ene persoon. Zelf meen ik, dat het schrijven in de ‘ik’-vorm (zie hierboven) een specifieke vorm van de personale vorm is. Beide vormen kunnen zelfs zo dicht bij elkaar liggen, dat het enige echte verschil nog de eerste versus de derde persoon is, waarin wordt geschreven. Soms experimenteren schrijvers ook tijdens het schrijven, in het begin of in een later stadium: doorgaan met de gekozen vorm, of omzetten naar de andere vorm?

De derde persoon, personale vorm wordt vaak gezien als objectiever dan de ‘ik’-persoon, maar dat is een misverstand. De derde persoon kan ook subjectief zijn en is dat vaak ook.

De schrijver kan er ook voor kiezen om het verhaal door het perspectief van meerdere personen te beschrijven. Als dit consequent wordt toegepast, waarbij geen aanvullende zaken worden geïntroduceerd die elk van de perspectieven op dat moment niet kunnen ‘weten’, dan is hier nog steeds sprake van de personale vorm.

De voordelen van het schrijven in de derde persoon, personale vorm is dat het de inherente beperkingen van het schrijven in de ‘ik’-vorm grotendeels wegneemt. Zoals hiervoor genoemd, schrijf ik zelf heel graag in de ‘ik’-vorm, maar soms bouw ik mijn verhaal na, of al tijdens het schrijven, om naar de derde persoon, meestal in de personale vorm. Redenen waarom ik dit soms doe, zijn:

Het verhaal is niet autobiografisch, of ik wil niet de indruk wekken dat het autobiografisch is. Met het transformeren van de ‘ik’-persoon naar een ‘hij’ of ‘zij’ wil ik de indruk voorkomen dat het verhaal betrekking heeft op mijn eigen leven. Strikt genomen doet het er niet toe, of dit waar is of niet.

In een aantal verhalen overlijdt de hoofdpersoon. Sommige andere schrijvers hebben hiervoor creatieve ‘ik’-oplossingen gevonden. Zelf vind ik het realistischer om in dit geval de ‘hij/zij’-vorm te kiezen.

Echte beperkingen van het verhaal zelf in de derde persoon heb ik niet ervaren. Als de personale vorm te ‘smal’ is voor het verhaal, kunnen we eventueel kiezen voor de auctoriale vorm (zie de volgende paragraaf). Mijn persoonlijke beperking ligt meer in het schrijven, dan in het verhaal. Maar, zoals hierboven genoemd, soms kies ik ervoor om eerst in de ‘ik’-vorm te schrijven en dit later om te bouwen naar de ‘hij/zij’-vorm.

Derde persoon: auctoriale vorm

Bij het schrijven in de auctoriale vorm gebruikt de schrijver een verteller die meer weet dan de personages in het verhaal. In de uiterste vorm noemen we dit de alleswetende verteller.

De scheidslijn met de personale vorm is vaak heel dun. Zo dun zelfs dat soms, bewust of onbewust, deze lijn wordt overschreden. In een verhaal in de personale vorm kan bijvoorbeeld bewust op een of meerdere plaatsen van het principe worden afgeweken, om een element van spanning te introduceren. Voorbeeld: ‘Ze stak de donkere weg over en focuste op de man die langs de struiken in de richting van de poort sloop.’ Laten we veronderstellen, dat dit een verhaal in de personale vorm is. Als hieraan wordt toegevoegd: ‘Ze had niet in de gaten dat, vanaf het dak, een sluipschutter haar in zijn vizier had’, dan wordt hiermee het verhaal, althans tijdelijk, auctoriaal. Nogmaals, dit kan een bewuste keuze van de schrijver zijn. We zien echter ook vaak, dat de schrijver onbewust de lijn tussen personaal en auctoriaal overschrijdt. Dit kan ten koste van de consistentie van het verhaal gaan.

De verteller in de auctoriale vorm kan ‘meerwetend’ zijn (de verteller weet meer dan de personages, maar niet alles) of zelfs alleswetend (de verteller weet alles van de personages wat relevant is voor het verhaal, bijvoorbeeld de achtergrond, de levensloop, of zelfs de gedachten).

Ook in de auctoriale vorm kan de schrijver perspectiefwisselingen toepassen, waarbij het verhaal afwisselend wordt beleefd vanuit het perspectief van verschillende personages. De verteller kan voor al deze personages meerwetend of alleswetend zijn. Strikt genomen hoeft dat niet, maar dat kan het verhaal ingewikkeld en zelfs inconsistent maken.

Het voordeel van de auctoriale vorm is de grotere vrijheid in het schrijven. De verteller zweeft als het ware boven het verhaal en de schrijver kan hiermee sterke spanningselementen creëren. De lezer “weet” in bepaalde situaties meer dan de personage(s). Wat zal er gebeuren? Klapt de val dicht? Of komt de persoon tijdig te weten, wat de dreiging is?

Het voordeel van de boven het verhaal zwevende verteller kan ook een nadeel zijn. De lezer zweeft als het ware met de verteller mee en kan zich daardoor misschien moeilijker identificeren met de personages in het verhaal, vooral met de hoofdpersoon. Het hangt van de kracht van de schrijver af, of deze voldoende spanning in het verhaal kan creëren. Zelf heb ik nog weinig ervaring met de auctoriale vorm. Maar dat kan ook te maken hebben met mijn voorkeur.

Uitgewerkt voorbeeld

Het volgende voorbeeld verduidelijkt het verschil tussen de hierboven beschreven vormen: eerste persoon, derde persoon – personaal en derde persoon – auctoriaal.

Eerste persoon

Op de polderdijk maakte ik vaart. Drie minuten naar de tunnel, wist ik. Na de brug aan het einde van de dijk maakte ik een messcherpe bocht naar links, laveerde mijn Kawasaki langs het talud naar beneden, sprong vol gas over een sloot heen en landde op de weg. Nog tweehonderd meter. Ik trok het gas wijd-open en tien seconden later scheurde ik de tunnel in.

Derde persoon – personaal

Op de polderdijk maakte ze vaart. Drie minuten naar de tunnel, wist ze. Na de brug aan het einde van de dijk maakte ze een messcherpe bocht naar links, laveerde haar Kawasaki langs het talud naar beneden, sprong vol gas over een sloot heen en landde op de weg. Nog tweehonderd meter. Ze trok het gas wijd-open en tien seconden later scheurde ze de tunnel in.

Derde persoon - auctoriaal

Op de polderdijk maakte ze vaart. Drie minuten naar de tunnel, wist ze. Na de brug aan het einde van de dijk maakte ze een messcherpe bocht naar links, laveerde de Kawasaki langs het talud naar beneden, sprong vol gas over een sloot heen en landde op de weg. Nog tweehonderd meter.

Nooit zou ze het hebben gewaagd om de weg door de tunnel te kiezen, als ze had geweten dat er op dat moment een tankwagen volgeladen met explosieven met een slakkengangetje door de tunnel reed, als een monsterlijk roofdier dat wachtte op zijn prooi. Maar het was te laat. Ze trok het gas wijd-open en tien seconden later scheurde ze de tunnel in.

De bovenstaande fragmenten zijn verschillende vormen van dezelfde alinea uit een van mijn verhalen. Toen ik met dit verhaal begon, schreef ik in de ‘ik’-vorm. Mijn belangrijkste reden was, dat dit voor mij gemakkelijker was om te schrijven (maar dat kan voor iedereen verschillend zijn). Na een aantal hoofdstukken veranderde ik van gedachten en heb ik het verhaal omgezet in de ‘zij’-vorm. Hiervoor had ik een aantal redenen.

Allereerst wilde ik iedere connectie met mijzelf verbreken. Lezers die mij persoonlijk kennen (op dit moment de grootste kring van lezers), zouden op een aantal subjectieve onwaarschijnlijkheden stuiten. Zo zouden ze meteen opmerken, dat ik nooit en te nimmer op een Kawasaki zou klimmen. Nu hoeft dit voor het verhaal niets te betekenen, maar toch zouden hier verschillenden vooroordelen kunnen ontstaan. ‘Hij fantaseert wel erg veel’ (wat waar is) en ‘probeert hij hier onvrede, frustraties enz. van zich af te schrijven?’ (wat beslist niet waar is).

Verder wist ik op dat moment zelf nog niet, hoe ik het verhaal zou laten eindigen. Een lang en gelukkig leven voor de hoofdpersoon? Een tragisch einde? Het openhouden van alle opties was een andere reden om te switchen van ‘ik’ naar ‘zij’.

De stap naar ‘auctoriaal’ heb ik doelbewust niet gemaakt voor dit verhaal. De verhaallijnen zijn al complex genoeg en op dit moment ontbreekt het me nog aan schrijfervaring, om er een extra complicerende factor aan toe te voegen.

De reden waarom het ‘zij’ is geworden en niet ‘hij’, verklap ik niet. Lees te zijner tijd het verhaal maar, wanneer het af is!

Mengvormen

Er bestaan talrijke mengvormen. Verschillende schrijvers hebben deze naar hartenlust toegepast. Zonder deze mengvormen hier verder uit te werken, noem ik er een aantal

  • Eerste persoon afwisselen met derde persoon.

  • Verschillende derde personen met hun eigen perspectief, maar geen alwetende verteller.

  • Een verteller die niet alles weet, maar wel meer dan de perso(o)n(en) in het verhaal.

Andere persoonsvormen

Schrijven is niet beperkt tot de vorm van de eerste of de derde persoon. Andere vormen, met enkele voorbeelden, zijn:

  • Tweede persoon (jij, u): bijvoorbeeld: een dichter die zijn poëzie opdraagt aan zijn (stille) geliefde, maar ook: een montagehandleiding van een kast, of een recept.

  • Eerste persoon meervoud (wij): bijvoorbeeld: het verslag van een wedstrijd, een avontuur, of een oorlog.

  • Tweede persoon meervoud (jullie): dit zien we regelmatig in religieuze boeken, waarin de mensheid wordt toegesproken, bijvoorbeeld over bepaalde gedragsregels. Ook in pep-talk van bijvoorbeeld een CEO of een voetbaltrainer kan de ‘jullie’-vorm worden gebruikt, al ben ik zelf van mening dat in zulke gevallen de ‘wij’-vorm effectiever is.

  • Derde persoon meervoud (zij): ik kan weinig voorbeelden bedenken. Deze vorm zou bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt om een beschrijving op te tekenen van een vijandige inval in een land: ‘Vanaf de woeste zee kwamen ze in hun schepen met drakenkoppen de rivier opvaren. Ze plunderden iedere stad, ieder dorp, tot op het bot en alles wat ze achterlieten was totale chaos.’

Zelf proberen

Veel schrijvers hebben de neiging om vast te houden aan ooit gekozen paden. Hierin kun je succesvol zijn. Toch raad ik aan, om als schrijver volop te experimenteren. Je hele schrijversleven lang. Het zal je als schrijver, op welk niveau dan ook, veel voldoening geven.

Heel veel succes!

Previous
Previous

Spreken in het openbaar, droom of nachtmerrie?

Next
Next

Lukt het al een beetje? Laat me eens lezen?